Eigen dekking eerst

De pensioenwereld worstelt met de gedaalde aandelenkoersen. Die tot voor kort goedkope aandelenmotor van onze oude dag hapert. Wat nu? Genoegen nemen met minder pensioen, meer premie betalen of afschaffen van de prijscompensatie? Waarschijnlijk alle drie. Maar eigenlijk is de hamvraag: leven de pensioenfondsen wel langer dan hun deelnemers? Of komt er een moment dat de kassen (bijna) leeg zijn en de pensioenen gekort worden? Het eerlijke antwoord luidt: dat is niet uitgesloten, maar wanneer dat kan gebeuren weet niemand.

Een indicator voor dit levensdilemma is de dekkingsgraad. Ofwel: dekken de bezittingen en de premie- en beleggingsinkomsten de uitkeringen en kosten van pensioenfondsen en -regelingen, voor de komende 60, 70, 80 jaar? Dat hangt af van de individuele regeling en de wijze van risicoberekening. Je kan niet ruim 20.000 regelingen over één kam scheren.

Een regeling voor één bedrijf, neem Philips, staat of valt met het voortbestaan van die onderneming. Wanneer Philips over tien jaar niet meer (zelfstandig) zou bestaan, wie betaalt er dan de werkgeverspremies? Wie is er solidair (prijscompensatie) met de gepensioneerden? Niemand. Voor Philips kan je de naam van vele andere bedrijven invullen. Maar hoe neem je het voortbestaan van een werkgever mee in de berekening van de dekkingsgraad? Dat is een lastige opgave. Bij regelingen voor een hele bedrijfstak ligt dat eenvoudiger.

Neem het ABP voor de ambtenaren. Een overheid houden we altijd, net als scholen en semi-overheidsinstellingen. Wie deelneemt in het ABP zit voor de lange termijn goed. Hoewel de Nederlandse overheid best kan opgaan in een Europees geheel, met eventueel nadelige gevolgen voor de pensioenen. De bedrijfstak waar je beroepshalve en qua pensioen nog beter zit, is zorg en welzijn, met het PGGM als pensioenfonds. Er blijft immers altijd vraag naar zorg.

De dekkingsgraad is dus een zaak van maatschappelijk belang, maar voor een individu hoort de eigen dekkingsgraad voorop te staan. Hoeveel netto inkomen wil ik, of heb ik nodig, nadat ik stop met werken? Hoe dek ik die behoefte?

Lezers die vragen hoeveel ze maandelijks opzij moeten leggen voor een knap pensioen, missen de essentie. Het gaat er om hoeveel je straks wilt en dat bepaalt je huidige opofferingen. Op die regel is één belangrijke uitzondering.

Wie niets opzij legt, nooit iets verdient, nooit belasting betaalt, maar tussen zijn 25ste en 65ste wel in Nederland woont, ontvangt levenslang de AOW voor alleenstaanden (2003: 11.409 euro), gekoppeld aan de prijsstijgingen. Mensen doen ten onrechte weleens laatdunkend over de AOW, maar het is wel de stevige basis van je eigen dekkingsgraad. Daar kan geen pensioen of lijfrente aan tippen.

Stel dat je na je 65ste levenslang het dubbele van deze AOW wilt ontvangen, gekoppeld aan de prijsstijgingen. Over hoeveel geld moet je dan beschikken voor een dekkingsgraad van 100 procent? Dat is voor een enkel iemand niet te berekenen. Je weet niet wanneer je overlijdt en je kent de prijsstijgingen niet.

Je moet dus schipperen om de gewenste dekking te berekenen. Zo bijvoorbeeld: je overlijdt op 95 jaar, teert langzaam in op je geld, geen prijsstijgingen en je maakt gemiddeld geen rente of beleggingswinst op je oudedagsreserve. Dan kom je op 65 jaar op een beginkapitaal van 30 (van 65 tot 95 jaar) maal 11.409 euro is bijna 350.000 euro. Wie dat bedrag zelf bijeengaart (verkoop huis of bedrijf, beleggen of sparen) betaalt geen inkomstenbelasting over de opnamen, maar wel 1,2 procent heffing in box 3, over het krimpende pensioensaldo.

Hoe realistisch is deze benadering? Mag je prijsstijgingen negeren? Om een schatting te maken wel. Ook het rendement van 0 procent lijkt een gezond uitgangspunt, maar is het niet. Je betaalt immers 1,2 procent belasting in box 3, wat vraagt om een minimaal rendement van 1,2 procent. Je komt er dus niet onder uit je geld op een rekening te zetten. Alles wat je daarop meer maakt dan 1,2 procent verbetert je dekkingsgraad.

Wie behalve de AOW een aanvullend pensioen ontvangt, kan dat aftrekken van zijn jaarlijkse behoefte en komt uit op een lager startkapitaal. Wie eerder dan 65 jaar stopt met werken, is daarentegen veel duurder uit.