Een aandeel in het `oude Europa'

Is de Amerikaanse economie superieur, of haalt Europa zijn achterstand, net als voorheen, zonder twijfel in?

Een groeiende kloof tussen de Verenigde Staten en Europa is een bedreiging voor het bedrijfsleven, zei ING-voorzitter E. Kist gisteren bij de presentatie van de jaarcijfers van de bankverzekeraar.

Die groeiende kloof beperkt zich niet tot het domein van de internationale politiek. ABN Amro wijdde eergisteren een heel seminar aan het gapende economische gat tussen de VS en Europa, op basis van een onderzoek van het economisch bureau van de bank.

Dat is van belang voor de belegger. Sinds 1990 leverden Amerikaanse aandelen, anders dan daarvoor, jaarlijks een 5 procent hoger rendement op dan Europese. Niet door ABN Amro genoemd, maar even instructief, zijn de gemiddelde koers-winstverhoudingen, het aantal malen de winst per aandeel dat voor een aandeel wordt betaald. Ook hier gaan Europa en de VS tot rond 1990 gelijk op, maar daarna volgt een scheiding. Zelfs nu, na een forse koersdaling op de beurs, is het Amerikaanse gemiddelde nog rond de 20, terwijl de gemiddelde Europese koers-winstverhouding nog geen 14 bedraagt.

De belangrijkste reden waarom voor Amerikaanse aandelen verhoudingsgewijs meer wordt betaald, is dat daar kennelijk een duurzaam grotere stijging van de bedrijfswinsten wordt verwacht. Bij een op de langere termijn gelijkblijvend aandeel van de winsten in het nationaal inkomen, is de impliciete verwachting dat het Amerikaanse nationale inkomen dus in de toekomst sneller zal blijven groeien dan het Europese.

Maar waarom? D. van den Brink, economisch adviseur van de raad van bestuur van ABN Amro, somde een indrukwekkende lijst op van punten waar Amerika vóór ligt. De ene factor waarin vrijwel al die invloeden samenkomen is de productiviteitsgroei. Hoe hoger de groei van de productiviteit, hoe sneller de productie kan groeien zonder dat er krapte, en dus prijsdruk, optreedt in de economie. De laatste zes jaar was de Amerikaanse productiviteitsgroei, met 1,9 procent per jaar, ruim de helft hoger dan de Europese.

De EU wil de kloof snel dichten. Op de eurotop van Lissabon, drie jaar geleden, werd een agenda opgesteld met maatregelen, die variëren van het vrijmaken van de product- en arbeidsmarkten en hogere uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling tot de betere en bredere toepassing van informatica en het simpeler maken van het starten van een onderneming.

Zo moet `het oude Europa' wat meer op de dynamische VS gaan lijken. Maar er zijn ook andere geluiden. De Amsterdamse hoogleraar A. Boot, die ook wetenschappelijk werk verricht in de VS zelf, plaatste de nodige kanttekeningen. Er zijn, aldus Boot, maar drie perioden geweest van snellere Amerikaanse productiviteitsstijging. Rond 1880, uiteraard tussen 1914 en 1950, en de laatste zes jaar.

Boot wees er op dat de woelige periode van 1914 tot 1950 Europa aanvankelijk opzadelde met een achterstand van dertig jaar in de brede toepassing van elektriciteit. Na de oorlog wist Europa de achterstand, tot aan 1995, echter snel in te halen met een veel snellere productiviteitsstijging dan de VS. ,,Dat waren dus die starre economieën,'' aldus Boot, waar iedereen nu zo op afgeeft.

De Amerikaanse productiviteitsvoorsprong van nu zoekt hij in de brede toepassing van informatica in bedrijfsprocessen. Dat is in de EU nog niet ten volle gebeurd, hetgeen impliceert dat de bulk van de productiviteitswinst hier nog moet komen. De reden voor de achterstand is ditmaal dat de Europese samenlevingen institutioneler zijn dan de Amerikaanse, en trager reageren op `trendbreuken' zoals de informatierevolutie. Niet dat er in Europa volgens Boot niet het nodige moet veranderen: hij pleit vooral voor minder obstakels voor het ondernemen zelf, want daar kan de EU in Amerika een voorbeeld zien. Maar, zo vraagt hij zich af, ,,moeten wij dan ook meteen onze economische orde, en onze maatschappelijke doelstellingen op de schop nemen?''

Ziehier het dilemma voor de belegger. Hij kan investeren in Amerikaanse aandelen, met het geloof dat de Amerikaanse economische ordening superieur is en Europa te lang nodig zal hebben om ,,Amerikaanser'' te worden. Of hij kan investeren in Europese aandelen, met de overtuiging dat de Europa met behoud van zijn eigen economische cultuur de vruchten van de informatierevolutie hooguit wat later plukt. En de kloof? Die blijft, in beide gevallen, bestaan.