De stille verjaardag van Rushdie's fatwa

Denkt er nog wel eens iemand aan Salman Rushdie? Inderdaad, die bebaarde kale auteur, die een paar jaar geleden furore maakte op het Boekenbal door met zijn lieftallige, veel jongere vriendin, het fotomodel Padma, te verschijnen. Voordat Rushdie echter aan een tweede carrière begon als internationale celebrity, was hij de alom bewonderde Brits-Indiase schrijver die schier eigenhandig de Britse literatuur in de jaren '80 uit een moeras van provincialisme heeft getrokken. Hij was voorpaginanieuws: `The Empire Writes Back', kopte Time. Later werd hij voorpaginanieuws door het doodvonnis dat werd afgekondigd door Ayatollah Khomeini op valentijnsdag 1989, vanwege het vermeend godslasterlijke karakter van zijn roman De duivelsverzen.

Waarom moet dit allemaal weer opgerakeld? Het is tenslotte al weer een hele tijd terug dat er voor het laatst een smakelijke foto van Padma in de krant stond, en nog wel veel langer geleden dat Rushdie een echt goede roman heeft afgeleverd.

Het punt is dat Rushdie op dit moment geen voorpaginanieuws is. En dat is eigenlijk wel interessant. Vorige week vrijdag, valentijnsdag 2003, is de fatwa tegen Rushdie door de Revolutionaire Garde in Iran opnieuw bekrachtigd. ,,Het historische decreet over Salman Rushdie is onherroepbaar, en niets kan het veranderen'', liet de Garde weten in een verklaring. Om het gebaar kracht bij te zetten heeft de semi-officiële Khordad stichting de prijs op Rushdie's hoofd verhoogd tot drie miljoen dollar, zo berichtte de conservatieve krant Jomhuri Islami een dag later. Dat gebeurde in een speciaal supplement, waarvan de voorpagina werd gesierd door een cartoon van een dode Rushdie, in een doodskist gedrapeerd met de Amerikaanse, Britse en Israëlische vlag.

Op dit bericht volgde een oorverdovende stilte in de Nederlandse, en de meeste buitenlandse, media. Nu hebben we ook wel wat anders aan ons hoofd, met een oorlog ophanden en een mislukkende kabinetsformatie, maar toch is het gebrek aan reacties opmerkelijk. In 1989 mobiliseerde Khomeini's fatwa de publieke opinie op een manier die wij ons nu nog maar nauwelijks kunnen voorstellen. Het was de eerste keer dat het westen werd geconfronteerd met een islamitische wetgeving die zich voorheen misschien voltrok in een soort parallel universum, maar plotsklaps onze wereld binnendrong. Van grenzen, nationale wetten en soevereiniteit trok deze fatwa zich niets aan. Plotseling waren er ook groepen moslims in westerse hoofdsteden die openbare boekverbrandingen hielden. De schok die dit alles teweegbracht, en de verontwaardiging over deze onverdraagzaamheid, kenden geen grenzen. Diplomatieke betrekkingen werden verbroken, steuncomités opgericht, opiniebladen volgeschreven.

Sindsdien kwam de fatwa nog regelmatig in het nieuws, onder andere door moordaanslagen op vertalers en uitgevers. Maar volgens de gematigde Iraanse president Khatami kon de affaire-Rushdie in 2001 als gesloten worden beschouwd. Minister van Buitenlandse Zaken Kharrazi zei het al in 1998, in een poging om diplomatieke betrekkingen met Groot-Brittannië te herstellen. Rushdie, die negen jaar ondergedoken leefde, kon zich sindsdien weer vrij bewegen, zo leek het.

Waarom leidt een hernieuwd doodvonnis dan nu slechts tot gegaap? Waar blijven de Van Dissen en Keulemansen? Terugkijkend kunnen we concluderen dat, ondanks alle aandacht, de fatwa tegen Rushdie is onderschat door het westen. Een `ongelukkige samenloop van omstandigheden', noemde Bas Heijne het in een interview met de schrijver uit 1994. `O ja, ik had domweg pech met die plotselinge uitbarsting van islamitisch militantisme', antwoordde Rushdie.

Zoals we nu weten, was Rushdie slechts het begin. Sindsdien volgden tal van andere grensoverschrijdende fatwa's, waarvan de belangrijkste zonder enige twijfel het decreet van Osama bin Laden uit 1998 was (zo leert de wijsheid achteraf): `De opdracht om de Amerikanen en hun bondgenoten te vermoorden – burgers en militairen – is de individuele plicht van elke moslim die daartoe in staat is, in elk land waar dit maar mogelijk is.'

Ja, vergeleken daarmee is de affaire-Rushdie natuurlijk peanuts. Toch is het gebrek aan belangstelling ervoor een teken dat we ons op een hellend vlak bevinden. We beginnen het zowat normaal te vinden dat er gereageerd wordt met doodsbedreigingen op vermeend blasfemische uitingen. Noemt Hirsi Ali de Profeet een perverse man (naar onze huidige westerse maatstaven), dan is niemand meer verbaasd over de gewelddadige oproepen haar te vermoorden, en wordt er hooguit gediscussieerd over het feit of slapen met een negenjarig meisje nou wel of niet als pervers kan worden beschouwd, `gezien de historische context'. De Franse schrijver Michel Houellebecq `solliciteert naar een fatwa', aldus Franse moslims, en wij hebben begrip voor die reactie – is Houellebecq tenslotte niet wat al te islamofoob, om van zijn misogyne opvattingen nog maar te zwijgen?

Moordpartijen als die in Nigeria ten tijde van de Miss World-verkiezingen zijn zelfs vergoeilijkt door westerse feministen en intellectuelen als Germaine Greer, die, net als de religieuze autoriteiten in Zamfara, vonden dat zo'n aanstootgevende vertoning van naakt vlees wel tot een bloedbad moest leiden. Of anders was het toch wel de schuld van de 21-jarige journaliste Isioma Daniel die schreef dat Mohammed misschien een Miss tot vrouw had willen nemen, had hij nu geleefd. Geen wonder dat ze meteen een fatwa aan haar broek kreeg. `Like Rushdie, the blood of Isioma Daniel can be shed', zei de vice-gouverneur van de staat. Sinds 1989 zijn we aan zulke incidenten gewend geraakt. Het lijkt zelfs wel alsof we een hogere tolerantie hebben ontwikkeld voor onverdraagzaamheid. Daarbij gaan sommige westerse intellectuelen – zie Greer – er blijkbaar impliciet van uit dat moslims `nu eenmaal' zoveel lichter ontvlambaar zijn dan westerlingen, en dus hun gevoeligheden meer ontzien moeten worden – een verkapt racistisch uitgangspunt. Maar al is het niet meer zo'n sexy onderwerp als in 1989, een doodsbedreiging blijft een doodsbedreiging, hoeveel er daar ook van worden uitgevaardigd.