De nieuwe daadkracht van Chirac

Met zijn vastberaden houding tegenover Amerika is de Franse president Chirac terug op het wereldtoneel. Als het daarvoor, zoals deze week, nodig is de Oost-Europeanen te schofferen, neemt hij dat op de koop toe.

Sinds hij vorig voorjaar herkozen werd en de kiezer hem kort daarna voorzag van een grote meerderheid in de Assemblée, is de Franse president Jacques Chirac een herboren mens. Maakte hij voor de verkiezingen inderdaad de indruk ,,oud, op en moe'' te zijn, zoals zijn rivaal Lionel Jospin zich tot afgrijzen van menige kiezer liet ontvallen, de overwinning gaf hem vleugels. Le grand, zoals echtgenote Bernadette hem pleegt te noemen, zou zelfs zin hebben in een derde termijn, na 2007. ,,Je weet het maar nooit'', zei zij onlangs desgevraagd, eraan toevoegend: ,,Ik heb er nog niet over nagedacht.''

Thuis heeft `die lange' misschien niet veel in de melk te brokkelen, in het land des te meer. De politieke verhoudingen geven hem, verlost van een verlammende samenwerking met links, ruim baan. Geen week gaat voorbij of de president lanceert een nieuwe strijd, de details overlatend aan zijn trouwe echo, premier Jean-Pierre Raffarin. De ene keer gaat het om een strijd tegen `barbarij op de weg', tegen kanker of tegen criminaliteit, de andere keer vóór integratie van minderheden of gehandicapten, voor culturele diversiteit of voor hervorming van het pensioenstelsel.

Zijn herwonnen daadkracht voert de inmiddels 70-jarige Chirac naar vele fronten. Bijna terloops maakte hij deze maand op grond van artikel 49, paragraaf 3 van de Grondwet het parlement monddood om een voor zijn partij gunstige herziening van de kieswet door te drukken. Ook bemoeide hij zich met de Ivoriaanse burgeroorlog en gaf hij zijn ambtsgenoot Gbagbo keihard te verstaan, dat deze zich aan het door Parijs opgestelde vredesplan diende te houden: via-via heeft Gbagbo laten weten ,,mishandeld'' te zijn. Ter gelegenheid van de Frans-Afrikaanse top in Parijs verklaarde Chirac Afrika trouwens deze week `opnieuw tot kernprioriteit'.

Afrika? Ja, want Chirac maakt gebruik van de top om zoveel mogelijk van de 52 uitgenodigde staatshoofden en regeringsleiders – onder wie tot woede van de Britten Robert Mugabe – voor zijn standpunt in de Irak-crisis te winnen. De Financial Times heeft onder de kop `Francofolly' Frankrijk er al van beschuldigd ,,aan de haal te gaan met de Europese politiek ten aanzien van Afrika''. Chiracs echte aandacht gaat op dit moment inderdaad niet uit naar Afrika maar naar Amerika. Tot groot genoegen van een overweldigende meerderheid van de Fransen frustreert hun koning-president, gebruikmakend van zijn absolute alleenrecht op het gebied van de buitenlandse politiek, het Amerikaanse verlangen om Saddam Hussein in de pan te hakken. Dagblad Le Monde interviewt sinds kort dagelijks drie of vier bekende Fransen over de wenselijkheid van een oorlog in Irak en over de Franse stellingname. `Het Franse debat' staat er boven, maar van een debat is geen sprake: iedereen jubelt over Chiracs verzet.

`Vetorecht van Parijs in de VN drijft Bush in het nauw' kopte The Washington Post onlangs. De werkelijkheid is erger: zonder zelfs maar naar dat vetorecht te verwijzen slaagt Chirac er al maandenlang in de Amerikaanse reus de voet dwars te zetten. Dank zij een machiavellistisch openhouden van alle opties bevindt Frankrijk zich, tussen het Amerikaans-Britse va-t-en-guerre en het Duitse categorische `nee', bijna vanzelfsprekend in een centrale en toonaangevende positie.

Bovendien is de Franse stellingname zuiver legalistisch: het internationale recht dient gerespecteerd te worden en dus kan slechts de Veiligheidsraad van de VN, en die alleen, eventueel besluiten tot ingrijpen in Irak. Dat criterium is heel wat harder dan het vage begrip van de `preventieve oorlog' van de Amerikanen op basis van `aanwijzingen', of de schimmige verwijzing naar `de moraal' van de Britse premier Tony Blair. Om over het Duitse pacifisme maar te zwijgen. Het was slechts om de Duitse bondgenoot Gerhard Schröder uit de brand te helpen, dat Chirac vorige maand losjes beweerde dat het Franse en Duitse standpunt `eigenlijk' op hetzelfde neerkwamen. Maar aan dat van Frankrijk was geen tittel of jota veranderd.

Het Franse vetorecht is een stok achter de deur, gaf premier Raffarin deze week ruiterlijk toe. Maar het gebruiken hoeft helemaal niet aan de orde te komen. Waarschijnlijk verwoordde oud-premier Raymond Barre in een aan Irak gewijd discussieprogramma op televisie vrij precies de Franse visie: het vetorecht gebruikt men ,,slechts als er een groot nationaal belang in het geding is''. Impliciet gaf hij daarmee te kennen hoe vreemd het is, dat slechts vijf landen vetorecht hebben, maar dat is een ander verhaal. Als een meerderheid in de Veiligheidsraad tegen de wil van Frankrijk voor een oorlog zou zijn, dan moeten de Fransen volgens Barre eenvoudig tegen stemmen en voor de rest buiten ,,dat avontuur'' blijven. Een Frans veto tegen een oorlog die toch doorgang vindt, betekent in zijn ogen ,,het einde van de geloofwaardigheid van de VN''.

Dat is in elk geval géén `nationaal belang'. Het is immers niet in de laatste plaats aan Frankrijks bijzondere positie in de Veiligheidsraad te danken dat Chirac kon uitgroeien tot de leider van het wereldwijde verzet tegen de oorlog in Irak. Amerika mag een economische en militaire `hypermacht' zijn, Chirac weet de wereldopinie aan zijn zijde. Miljoenen gingen voor `zijn' vredelievende standpunt de straat op. In de Veiligheidsraad kreeg het een zeer ongebruikelijk applaus. Zelfs de verdeelde EU nam het over. Het is bijna te mooi om waar te zijn dat deze week ook nog eens bekend werd, dat Chirac (met honderdvijftig anderen) genomineerd is voor de Nobelprijs voor de Vrede.

Ook is dat bijna ironisch. Het is Chirac niet alleen om de vrede begonnen. De Russische president Poetin werd, op bezoek in Parijs, in het geheel niet lastiggevallen over Tsjetsjenië. In combinatie met zijn onaantastbare binnenlandse positie biedt de Irak-crisis Chirac een uitstekende gelegenheid zijn miserabel verlopen eerste ambtstermijn te doen vergeten en alsnog als ziener van mondiaal belang de geschiedenis in te gaan. Generaal De Gaulle hoeft niet de enige te blijven die, middenin de Koude Oorlog, `nee' zei tegen Amerika.

Belangrijker is nog dat Chirac een bij uitstek Franse obsessie kan verwezenlijken: een halt toeroepen aan de Amerikaanse hegemonie. Zijn aloude streven naar een verenigd, sterk Europa vloeit uit die obsessie voort. Frankrijk ,,brandt nog altijd van een verlangen naar Geschiedenis'', maar heeft daar tegenwoordig, dankzij die geschiedenis, Europa voor nodig.

De huidige situatie is er één van nu of nooit. De ene obsessie botst op de andere die van Amerika jegens Irak. Dat is gevaarlijk: parlementsleden van Chiracs eigen partij hebben al blijk gegeven van ongerustheid over een ,,excessieve'' Franse houding. Ze kennen hun leider. Als het zo uitkomt, deinst hij voor weinig terug. Vlak na zijn aantreden in 1995 trotseerde hij de hem nu zo dierbare wereldopinie door nog een paar atoomproeven te laten uitvoeren – en niet op het eigen Massif Central. Sommigen zeggen, niet zonder reden, dat hij op eigen houtje de BSE-psychose van twee jaar geleden veroorzaakte. Hij sloeg groot alarm, louter om toenmalig premier Jospin dwars te zitten en al schaadde hij de boeren, zijn trouwe kiezersvolk.

In dezelfde sfeer past zijn uithaal naar de Oost-Europese landen die het gewaagd hebben er, net als Frankrijk, een eigen, maar dan pro-Amerikaanse mening op na te houden. Zo wordt het nooit wat met de `multipolaire' (lees: Frans-Amerikaanse) wereld. Chiracs uitval, ernstig bekritiseerd door de linkse pers, had niets te maken met de drift die hem weleens parten speelt. Het was een weloverwogen actie. Dat de Fransen, behalve tegenover Duitsland, zich in Europa bezondigen aan hetzelfde unilateralisme dat zij de Amerikanen verwijten, doet kennelijk niet terzake.

Wat Frankrijk mag, mogen anderen niet. Het is een eenvoudige kwestie van standing and background. De daarbij passende houding kan nog van pas komen als straks mogelijk een andere Franse hebbelijkheid willen meetellen op het wereldtoneel in het gedrang komt. `Buiten het avontuur blijven' omschrijft weekblad Le Point als `een aftocht via de dienstuitgang'. Daarbij heeft Frankrijk nog miljarden francs tegoed van Irak voor wapenleveranties in de tijd dat Saddam nog reçu was. Het is dus denkbaar – al wordt dat van officiële zijde weersproken – dat er toch een moment komt waarop de bijval van miljoenen maar beter genegeerd kan worden. Chirac is ertoe in staat. Nobelprijs of niet.

    • Pieter Kottman