Blanco volmacht werkt altijd

Eenmalig bekleedt voormalig bondscoach Stanley Franker (57) deze week de functie van directeur van het indoortennistoernooi van Rotterdam. ,,Eerherstel? Nee, meer een erkenning van mijn capaciteiten.''

Twee jaar geleden stonden ze plotseling weer bij hem op de stoep. Met de vraag of Stanley Franker terug wilde keren bij de Nederlandse tennisbond (KNLTB). Tot een hernieuwde samenwerking kwam het niet. ,,Tegen Willem Maris, de toenmalige vice-voorzitter van de bond, heb ik gezegd wat ik altijd zeg zodra mensen gebruik willen maken van mijn talenten: `Geef mij een blanco volmacht en ik ben je man'. Willem kwam praten met het mandaat van het bestuur, maar mijn eis kon en wilde hij niet inwilligen. Dat begreep ik wel. Een aanstelling onder die voorwaarden zou geld hebben gekost, niet in de laatste plaats omdat mijn komst vrijwel zeker tot ontslagen zou hebben geleid.''

Met open armen zou Franker sowieso niet zijn ontvangen. Niet iedereen loopt immers weg met de meermalen als autoritair afgeschilderde oud-bondscoach, die vijf jaar geleden met slaande deuren vertrok bij de bond. Hij weet het. Franker, bedachtzaam: ,,Als je zo lang bezig bent en iets hebt neergezet, dan is het onvermijdelijk dat mensen op een gegeven moment vinden dat je te succesvol bent en dat je de credits krijgt waarvan zij vinden dat je daar geen recht op hebt. Als coach van het Davis-Cupteam zit jij bijvoorbeeld op de bank, en niet de privé-coach die voortdurend met zijn speler de wereld afreist. Dat steekt. Terwijl wat mij betreft vandaag nog de regel van kracht mag worden dat tijdens de Davis Cup niet de captain plaatsneemt op de bank, maar een privé-coach.''

Elf jaar (1986-'97) was Franker in dienst van de KNLTB als `directeur sportif'. Het waren de jaren waarin Nederland, aldus de geboren Surinamer, uitgroeide ,,van een onbeduidende tot een internationaal gerespecteerde tennisnatie''. Onder zijn leiding kwam de later zo luidbejubelde Gouden Generatie, met spelers als Paul Haarhuis, Jacco Eltingh, Jan Siemerink en Richard Krajicek, tot wasdom. Dat wapenfeit vervult Franker nog altijd met trots. ,,Toen ik kwam, had men in Nederland geen benul van toptennis. De bond was een in zichzelf gekeerde organisatie. Het ontbrak aan een prestatiecultuur. Okker was de enige referentie, maar dat was belachelijk. Verder had je Michiel Schapers, maar die ging vooral zijn eigen weg en kreeg niet de waardering die hij op basis van zijn prestaties wel verdiende.''

Krachtig gesteund door bondsvoorzitter Ruurd de Boer forceerde Franker een cultuuromslag, met een prominente rol voor de privé-coaches en -scholen. ,,We hebben het tij gekeerd, terwijl in het begin links en rechts nogal lacherig werd gedaan. Zo van: het lukt die Franker toch niet. Dat bleek een misvatting. Cruciaal was het afschaffen van het monopolie van de bond om spelers centraal op te leiden. Jonge talenten kregen geen druk opgelegd en werden naar het buitenland gestuurd met de opdracht ervaring op te doen en punten te verzamelen, zodat ze toegang zouden krijgen tot de grote toernooien. Helden creëren, dat was het. Als ik er niet was geweest had Nederland nu nog ergens anoniem in de zone gespeeld.''

Maar ook in de wereldgroep won Nederland de Davis Cup nooit, alle vorderingen ten spijt, en dat terwijl Franker bij zijn aanstelling voorspelde dat Nederland nog vóór de eeuwwisseling in de finale zou staan. Spijt van die inmiddels beroemde en hem jarenlang nagedragen ontboezeming heeft hij niet. ,,Het was een reële uitspraak, geen onzin. En laten we wel wezen: vier keer een kwartfinale en onder Tjerk (de huidige captain Bogtstra, red.) één keer de halve finale, en telkens uitgeschakeld door de latere winnaar.''

Zes jaar geleden droeg Franker zijn taken over aan de door hem naar voren geschoven (en later door de spelers afgeserveerde) oud-prof Schapers, op een moment dat de bond verwikkeld was in een ernstige bestuurscrisis. In het daaropvolgende machtsvacuüm werd de voormalige roerganger nagewezen als een incompetente lastpak. Franker zou zich teveel bekommerd hebben om de lichting van zestien jaar en ouder, en de jongere generatie links hebben laten liggen. Zodoende ontstond een hiaat in de jeugdopleiding en de gevolgen van die eendimensionale aanpak zijn, aldus zijn critici, pijnlijk zichtbaar.

Franker kent die verwijten, maar al te goed zelfs. ,,Het heeft me geraakt, natuurlijk. Wat ik altijd heb betreurd is het feit dat ik de schuld kreeg van het onvermogen van anderen. Het is mij te makkelijk om nog voordat je begonnen bent te zeggen: `Het gaat niet lukken, want mijn voorganger heeft zijn werk niet gedaan'. Maar ik kan ze die borrelpraatjes niet eens kwalijk nemen, het is namelijk onkunde. Zolang er mensen op twee benen rondlopen met een racket in hun hand, is er wat mij betreft sprake van opvolging. Iemand als Martin Verkerk is nooit tot `de opvolgers' gerekend. Inmiddels heeft die jongen een ATP-toernooi (drie weken geleden in Milaan, red.) gewonnen. Ik bedoel maar: hoezo geen opvolging?''

Het negativisme over de vermeende, wankele toekomst van het Nederlandse toptennis deelt Franker dan ook niet. Al ontkomt hij niet aan de constatering dat ,,we het maar beter even niet over het Nederlandse vrouwentennis moeten hebben, want daar word je niet vrolijk van''. Franker: ,,Het probleem is: elk opkomend talent wordt meteen vergeleken met de Gouden Vier (Krajicek, Haarhuis, Eltingh en Siemerink, red.). Dat is niet fair. Sluiter is geen Krajicek en zal dat met die dubbelhandige slagen ook nooit worden. Een Richard Krajicek heb je misschien eens in de twintig jaar.''

Tot een verbaal moddergevecht heeft Franker zich de afgelopen jaren naar eigen zeggen niet laten verleiden. Ook al schroomden zijn `tegenstanders' het niet om publiekelijk hun beklag te doen over de in hun ogen eenzijdige aanpak van de oud-bondscoach. ,,Ik heb nooit bevriende journalisten gebeld met het verzoek mij te interviewen zodat ik mijn kant van het verhaal eens kon belichten. Waarom zou ik? Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. Kijk maar naar de captain van het Davis-Cupteam (Schapers, red.). Rancune ken ik niet, en wil ik ook niet kennen. Dat keert zich vroeg of laat tegen je. Het afscheid dat de spelers mij destijds hebben gegeven was hartverwarmend en dat telt voor mij.''

Hij is geen man van het poldermodel. Nooit geweest ook trouwens. Grijnzend: ,,Ik juich de democratie als staatsvorm toe, maar plaats daarbij ook een kanttekening: het is ook een systeem waarbij de meerderheid die in feite niets doet of weet ook zeggenschap opeist.''

,,Uitermate tevreden'' is Franker tot dusverre over het verloop van het indoortennistoernooi van Rotterdam, waar hij deze week eenmalig optreedt als toernooidirecteur om volgend jaar plaats te maken voor Richard Krajicek. Vooral het voortvarende optreden van het contingent Nederlanders, resulterend in een halvefinaleplaats voor Raemon Sluiter en een plek bij de laatste acht voor Sjeng Schalken, stemt hem vrolijk. ,,Ik heb me altijd op het standpunt gesteld dat `Rotterdam' na de grandslams en de Davis Cup het belangrijkste evenement is voor Nederlandse spelers en dat zij het toernooi grotendeels `maken'. Het publiek geniet van andere spelers, zeker die uit de toptien, maar voelt daarbij weinig betrokkenheid. Bij Nederlandse spelers is dat wel het geval. Elke ronde die ze overleven ervaar ik als een examen dat met succes is afgesloten.''

Franker hecht zeer aan een Nederlandse inbreng. Hij volgde dan ook blindelings het advies van wijlen Wim Buitendijk om de wildcards aan Krajicek, Sluiter en Verkerk te geven. Daar waar Buitendijk in het verleden nog wel eens wachtte op een buitenlandse topper, maakte Franker al in een vroeg stadium zijn besluit bekend. ,,Carlos Moya (de huidige nummer vier van de wereld, red.) was de enige topspeler die nog vrij was. Ik heb er geen gebruik van gemaakt. Verkerk is voor dit toernooi vele malen interessanter dan meneer Moya. We hadden bovendien al vijf spelers van het type-Moya vastgelegd. Goran Ivanisevic was ook nog beschikbaar, maar zijn verzoek heb ik niet ingewilligd. Hij komt net terug van een blessure, heeft dit jaar nauwelijks gespeeld. Dan kies ik liever voor zekerheid. Als ik af moet gaan op de reacties heeft het publiek tot dusverre nog het meest genoten van het duel tussen Sluiter en Verkerk. Die staande ovatie na afloop vond ik veelzeggend.''

Als een vorm van rehabilitatie ervaart Franker zijn weliswaar tijdelijke maar prominente rentree in het Nederlandse toptennis niet. ,,Eerherstel? Nee, dan had de tennisbond mij terug moeten nemen. Meer een erkenning van mijn capaciteiten. Ik was aangenaam verrast toen het telefoontje afgelopen najaar kwam. Niet veel later zat ik aan het bed bij Wim, die toen al ernstig ziek was. Hij had kort daarvoor te horen gekregen dat hij niet lang meer te leven had. Dat maakte het voor mij een moeilijk en wat onwerkelijk gesprek. Ook al genoot hij er zichtbaar van, wetende dat zijn toernooi bij mij in goede handen zou zijn. Zijn herinnering leeft deze week ook voort. Wim heeft dit toernooi groot gemaakt. Overal waar je komt of loopt is zijn hand bij wijze van spreken zichtbaar.''

Zelf werd Franker een jaar geleden getroffen door een andere, zij het minder kwaadaardige vorm van kanker: prostaatkanker. Hij overwon de ziekte en hoopt, hoewel inmiddels 57 jaar oud, volgende maand voor de tweede keer vader te worden. Glimlachend: ,,Mijn ziekte is een oude-mannenkwaal, die veel voorkomt en in mijn geval bij toeval aan het licht kwam omdat mijn vriendin aandrong op een routinecontrole. Bang ben ik niet geweest. Het is geen ongeneeslijke ziekte en doorgaans goed te behandelen. Vraag was alleen of er sprake was van uitzaaiingen. Dat bleek niet het geval. Voor angst was geen reden. Het past ook niet bij mij.''

Zijn ziekte heeft hem niet veranderd. Of hij milder is geworden? Franker lacht de vraag weg. ,,Ik heb het voordeel dat ik veel met jonge mensen werk en heb gewerkt. Die houden mij jong en scherp. Ik ken hun belevingswereld, al is dat andersom niet zo. Zij kunnen dan wel denken `ouwe lul', maar ik wil ze nog wel eens horen als ze met me op de baan staan.''

Nee, hij brandt nog altijd van ambitie. ,,Ik hoef niets te bewijzen, ik wil wat bereiken. Dat zit in me, dat gaat nooit meer weg. Ik heb niet voor niets in Oostenrijk getekend. Vier jaar lang heeft de voorzitter achter me aan lopen te vangen, wetende ook dat ik problemen had in Nederland, maar kreeg hij de rest van het bestuur niet mee voor een blanco volmacht. Pas toen een paar leden opstapten, was de weg vrij en waren we d'r zo uit. Oostenrijk wil, net als twintig jaar geleden toen ze me voor het eerst vroegen, weer een tennisnatie zijn, een land met een paar toptennissers. Helden aan wie ze zich op kunnen trekken. Het is, kortom, dezelfde opdracht als toen, onder dezelfde voorwaarden.''

Maar ook Nederland is voorlopig nog niet van hem af. Samen met een aantal zakenmensen werkte Franker de afgelopen maanden plannen uit voor de opzet van een Challenger-toernooi (mannen en vrouwen) in wat als een blinde vlek op de Nederlandse tenniskaart kan worden beschouwd: Groningen. Een hoofdsponsor heeft het in september geplande indoorevenement uit de tweede divisie van het proftennis nog niet, maar: ,,Groningen heeft zo'n 55.000 studenten. Dat is een interessante doelgroep, omdat het mensen zijn die over een paar jaar leiding geven aan grote bedrijven. Die gasten zijn ons toentertijd met het Davis-Cupteam de hele wereld over gevolgd. Studenten zijn gek van tennis. Daar spelen wij op in.''