Zo wirwarren de dingen

Het zal je gebeuren. Heb je net een fraaie, kloeke gedichtenbundel gepubliceerd, met een prachtige zelfgemaakte foto als omslag, en dan schrijft je uitgever een begeleidend persbericht voor de recensenten waarin zij je poëzie als volgt karakteriseert: `In Wat het licht doet, de achtste bundel van Hans Tentije, gaat het niet alleen om de samenhang tussen waarneming, beleving en verbeelding, maar ook en vooral om de betekenissen die achter de dingen en de gebeurtenissen zouden kunnen schuilen.' Het is nog een geluk dat geen enkele recensent dat soort persberichten ooit leest, want zelden heb ik goede poëzie zo fantasieloos doodbeschreven zien worden. En daar komt nog bij dat die karakterisering op zo ongeveer elke dichtbundel van toepassing is, evenals op bijna alle romans, columns, schilderijen, foto's, horoscopen, poëzierecensies of sowieso wat je zomaar zegt tegen je vrienden in de kroeg.

Maar ik begrijp wel wat de uitgever op haar knullige manier probeert duidelijk te maken. Een van de bijzondere kenmerken van deze gedichten van Hans Tentije is dat zien, denken, herinneren, ruiken, voelen en fantaseren bij voortduring door elkaar heen lopen, elkaar oproepen en zich met elkaar verstrengelen als kluwen van parisitaire klimplanten zonder dat duidelijk is welke tak door welke stengel wordt uitgezogen. De dichter doet niet zijn best om deze kluwen voor ons te ontwarren en elk gewas conform zijn biologische determinatie in aparte, overzichtelijk afgebakende perkjes over te planten met een bordje eronder in de keurig aangeharkte aarde geprikt met de Latijnse naam erop en hij heeft gelijk dat hij daar zijn best niet voor doet, want hij bedrijft geen analyse, maar poëzie, die het moet hebben van synthese en de onontwarbare inelkaargewikkeldheid van alle beelden, bijgedachten en beslommeringen in onze hoofden.

De procedure is goed te illustreren aan de hand van het openingsgedicht dat, zoals de meeste gedichten uit deze bundel in zijn gulheid en volheid niet genoeg heeft aan de ruimte van één of twee pagina's. In de openingsstrofe zit de ikfiguur met een `levenloze, zo vlug al verstijvende haas' in zijn armen. Direct daarop, in de tweede strofe, is er sprake van `kattenogen in het midden van de weg, het lichtspoor dat door het natte asfalt trekt', hetgeen op een onnadrukkelijke manier suggereert hoe de haas aan zijn einde is gekomen. Deze herinnering leidt tot verbeelding: `nerveus tastende / ruitenwissers leiden je de film binnen, die rolprent / waarin iemand mij sequenties later meetroont / naar het bijna gevelbrede balkon om mij zijn dronkemanskijk / op de dingen des levens te geven.' Maar de filmische fantasie heeft wel iets te maken met de werkelijkheid van de dode haas, want als er iets onder je banden of in je armen overlijdt, zet dat je aan het denken over `de dingen des levens'. In de film is het altijd Humphrey Bogart met een dubbele bourbon on the rocks in zijn bevende hand, die je op het balkon het leven uitlegt. Aan zoiets zou je nu behoefte hebben. Maar het gedicht suggereert subtiel dat het misschien wel je eigen `dronkemanskijk' is geweest die ervoor verantwoordelijk was dat je de haas niet op tijd hebt kunnen ontwijken. In de derde strofe draaien `zwarte limousines' de oprijlaan in. Het is niet duidelijk of we nog steeds in de film zitten of in de harde werkelijkheid van gemotoriseerd verkeer of in bijgedachten aan statig zwart gelakte lijkwagens. Op deze manier ontrolt het gedicht zich in beelden van afscheid en dood, waarbij `verpauperde sneeuw / tegen een decor van zilvergeschorste berken' ons weer vervoert naar de wereld van het `witte doek', `tijdens de zondagmatinee in het Lux', waar het Polygoonjournaal het wereldnieuws brengt.

dan breekt het celluloid en treden obers uit de sigarettenmist

naar voren, hun dienblad op vijf gespreide vingers

hoog boven de hoofden in de foyer geheven

als er geen tijd is om de strikken, de

valstrikken

van de serveersters los te trekken en aan hun billen

te zitten in klassieke, slecht nagespeelde scènes —

Iedereen is het haasje. We kunnen wel raden welk wildgerecht de obers ons uitserveren. En de strikken waarin de hazen normaal gesproken aan hun einde komen, zijn nu de valstrikken aan spannende serveersterspakjes. Wie is hier nu de haas en wie de stroper? En wat is film, wat werkelijkheid, wanneer obers van het doek afstappen de foyer in, terwijl wij vastzitten in klassieke scènes, maar dan wel scènes die slecht zijn nagespeeld?

Wat het licht doet staat vol met zulke volle gedichten, waarin een spannend onvoorspelbare film wordt vertoond van op onvermoede wijze samenhangende beelden. Vaak is het een toeristische bezienswaardigheid die het gedicht en de gedachtestroom op gang brengt, zoals de duomo van Orvieto, hoeren bij Perugia, een Etruskische gouden speld in Cortona of een kerkraam te Varengeville. Maar de gedichten worden nooit vakantiekiekjes, omdat de dichter niet scherp stelt op de attractie en zijn belichting aanpast aan de duistere associaties die zij oproept. Bovendien zijn de meeste gedichten gerangschikt in samenhangende cycli waarbinnen de afzonderlijke gedichten met elkaar in gesprek raken.

Een prachtig gedicht is het zelfs voor deze bundel lange `Val d'Arno', waarin het landschap van de Arnovallei allerlei associaties oproept met dood en liefde. Aan het begin van het gedicht komt `de mare, de vogellijm' voor `waarmee / eens de poorten van de onderwereld // geopend konden worden' en de `donzen pluizen' van populieren die `aan kapok doen denken, aan doorgelegen / matrassen'.

De poorten naar de onderwereld verschaffen in dit gedicht toegang tot herinneringen aan de overleden vader, terwijl de doorgelegen matrassen zijn ziekbed oproepen. Maar de matrassen voeden tegelijkertijd allerlei gedachten aan liefde, seks en voortplanting. Het ene beeld roept de andere herinnering op, terwijl de andere associatie naadloos overloopt in de ene fantasie en de ene gedachte zich vervlecht met het andere gevoel. Zo gaat het. Zo wirwarren de dingen in ons hoofd. Daarom zijn dit goede, ware gedichten.

Hans Tentije: Wat het licht doet. De Harmonie 2003. 79 pp. €14,75

    • Ilja Leonard Pfeijffer