Wertheims wens

De gisteren bekend gemaakte beslissing de revenuen van het Wertheimer-legaat de komende drie jaar toe te kennen aan het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, maakt een voorlopig einde aan ruim 5 jaar soebatten. Voorlopig – want aan de toekenning (jaarlijks 500.000 euro) zijn enkele voorwaarden verbonden. De gemeente Rotterdam moet de jaarlijkse subsidie continueren, het museum moet zo snel mogelijk verhuizen naar het gebouw Las Palmas op de Kop van Zuid en het Rijk moet een stevige bijdrage leveren.

Helemaal klaar is de zaak dus nog niet, want met die voorwaarden lijkt het besluit een beetje op de impulsieve beslissing in 1998 het geld te spenderen in Amsterdam. Ook toen werden dergelijke voorwaarden gesteld aan een gemeentebestuur. Waarna bleek dat er niet aan voldaan kon worden en het besluit, zij het met tegenzin, weer herroepen kon worden. Het is te hopen dat het gemeentebestuur van Rotterdam ook onder de inmiddels gewijzigde politieke omstandigheden wel de wijsheid heeft voortvarend gebruik te maken van de nu geboden mogelijkheid. `Wertheimers Wens', het ondersteunen van een Nederlands fotografiemuseum, heeft de afgelopen jaren naast veel gekrakeel direct of indirect geleid tot de oprichting van fotografiemusea in Amsterdam (FOAM) en Den Haag (FMDH), een museum dat zijn aandacht voor hedendaagse kunst geheel in teken stelt van de fotografie (Frans Halsmuseum, Haarlem) en een fusie van de drie reeds in Rotterdam gevestigde fotoinstellingen (Nederlands Foto Instituut, Nederlands Fotoarchief en Nationaal Fotorestauratie Atelier) tot het Nederlands Fotomuseum.

In het licht van dat aanbod is de keuze van de Stichting Wertheimer alleszins verdedigbaar. Het FOAM is geen museum bij ontstentenis van een eigen collectie en de daarbij behorende verplichtingen, het FMDH heeft zijn eerste tentoonstelling nog niet eens achter de rug, en de inzet van het Frans Halsmuseum is, hoe lovenswaardig ook, vooral ingegeven door de ontwikkelingen in de kunst en niet door de fotografie. Met de keuze voor het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam is gekozen voor de continuïteit van een instelling waarvan de samenstellende delen zich sinds hun oprichting in het begin van de jaren negentig stelselmatig met alle facetten van de fotografie hebben beziggehouden. En weliswaar waren (en zijn) de resultaten niet altijd om over naar huis te schrijven, de inzet was consequent en allerminst geleid door de waan van de dag.

In Amsterdam zal er ongetwijfeld getreurd worden. Het is te hopen dat het nu genomen besluit voor het gemeentebestuur daar aanleiding is het FOAM wat ruimer te financieren – en voor het FOAM om de uitdaging aan te gaan en meer te bieden dan voornamelijk voorgekookte producties uit het buitenland (Don McCullin, Mario Testino).

Waarna het hoog tijd wordt over te gaan tot de orde van de dag. Want de hoeveelheid nota's, plannen, schetsen, vergaderingen, rapporten en persberichten van de afgelopen vijf jaar is ondanks de groei van het aantal strekkende expositiemeters vele malen groter dan het aantal degelijke, met verbeeldingskracht en flair samengestelde tentoonstellingen dat er in die tijd is gemaakt. Om over het historisch en hedendaags onderzoek, het (universitair) onderwijs of de ontginning van de vele lokale en particuliere fotocollecties nog maar te zwijgen.