Waar zijn die vogels dan?

Wat zie je allemaal níet als je door de wereld loopt? Kunstenares Esther Polak vroeg zich dat af en maakte een project van kijken, denken en wandelen.

We beginnen met de reclame. Een vrouw zit aan tafel met een man en zet een lekkere coupe ijs voor hem neer.

,,Zo'', zegt hij, ,,Koffie Royal, doe maar luxe.''

,,Deze dame is vandaag toevallig wel bevorderd tot hoofd van de afdeling'', luidt haar stralende verklaring.

,,Hmm'', reageert de man, de eerste hap ijs al in zijn mond.

,,Met een leuke opslag, een nieuwe auto en de mogelijkheid volgend jaar partner te worden.''

,,Hmmm'', doet de man weer. ,,En hoe is het eigenlijk op je werk?''

Onlangs, op een avond georganiseerd door Stroom, Haags Centrum voor Beeldende Kunst, werd dit spotje vertoond en geanalyseerd door kunsthistoricus Maud de Vries. Ze begon haar praatje met de mededeling dat wij gemiddeld 70 procent onthouden van wat we in gesprekken zelf naar voren hebben gebracht, en slechts 15 procent van wat de ander gezegd heeft. Het reclamefilmpje diende als illustratie van dat slechte luisteren, maar ook van slecht kijken. Want niet alleen de man maakt zich schuldig aan onaandachtigheid, de vrouw op haar beurt negeert alle signalen in zijn gezicht die aangeven dat hij er met zijn aandacht helemaal niet bij is. Maar wat wil je ook? Iemand eerst inpalmen met een coupe ijs en dan hopen dat hij helemaal niet is afgeleid?

De spot werd meerdere malen vertoond en iedere keer werd duidelijker hoe buitengewoon efficiënt die reclamelui hun verhaal vertellen. Vergelijk dat eens met de kunstbeleidsmakers die de afgelopen jaren rapporten hebben volgeschreven over publieksbereik, zonder dat ze de kern van de zaak wisten te raken. De ijsreclamemakers hebben daar niet meer dan een filmpje van een halve minuut voor nodig. Het komt hierop neer: 1. Al heb je nog zoiets belangwekkends te melden, daarmee heb je nog niet automatisch de aandacht van je publiek. 2. Probeer die aandacht niet met lekkernijen te vangen, want je kunt er zeker van zijn dat je boodschap finaal de mist in gaat.

Nu was publieksbereik niet direct het onderwerp van de Haagse avond, integendeel, het ging over wat je fundamenteel kijkonderzoek zou kunnen noemen. De kunstenaar Esther Polak, om wie het allemaal draaide, had zes professionele, overwegend niet-artistieke waarnemers uitgenodigd om de beperktheid van haar eigen manieren van kijken te doorbreken. Behalve de genoemde kunsthistoricus spraken ook een immunoloog, een kunstenaar/wiskundige, een filosoof/bioloog, een vogelkundige en een privé-detective.

Polak (1962) is een kunstenaar die het enige jaren geleden even genoeg had van haar werk en daarom een tijdje onderdook in een baan. Die gaf haar, zoals zij zelf zegt, ,,de mogelijkheid uit mijn benauwde kunstopvatting te stappen. Ik dacht dat kunst altijd óf over mijzelf óf over kunst moest gaan. Ik ben blij daar van af te zijn en probeer nu in mijn werk zoveel mogelijk van mij af te kijken.''

Peperduur

Dat van zich af kijken begon toen ze sympathie opvatte voor vogels. Ze was al een fanatiek wandelaar, maar ging dat steeds meer doen in vogelrijke gebieden. Uitgerust met boekjes, gidsen en een peperdure kijker probeert ze in de vogelwereld door te dringen, maar tot haar frustratie komt ze nauwelijks verder. Ze ziet nooit wat de boekjes beloven, het is alsof ze helemaal opnieuw moet leren kijken. Ze sluit zich aan bij een vogelaarsvereniging, `eenzelvige mannen van middelbare leeftijd', en in hun voetspoor krijgt zij het vogelen langzaam maar zeker onder de knie.

Intussen blijven de vragen komen. Want ze mag de vogels dan nu wel zo'n beetje opmerken, een heleboel andere dingen zullen nog altijd even genadeloos aan haar blikken ontsnappen. Welke dingen zijn dat? Hoeveel beroepen en bezigheden bestaan er met een eigen `kijkgrammatica'? Leeft iedereen in een wereld waarin hij meer niet dan wel ziet? En zijn kunstenaars daarop een uitzondering?

Zulke vragen leidden haar tot het idee voor deze multidisciplinaire avond, een branche-overschrijdende confrontatie zoals we die de laatste jaren vaker meemaken. Op zoek naar nieuwe grondslagen wenden kunstenaars zich tot wetenschappers en andere specialisten, of het nu uitvinders of antropologen zijn, hersenonderzoekers of computerfreaks. En iedereen schijnt er beter van te worden.

In Den Haag werd vooral duidelijk hoezeer het menselijk kijken nog altijd kinderschoenenwerk is: we weten er weinig van en we doen het slecht. We zijn allemaal als de vrouw in de ijsreclame, relatief blind, en wie van die blindheid bij anderen gebruik weet te maken is de slimmerik. Veel beroepen bestaan bij gratie van dat soort slimheid. De door Polak uitgenodigde privé-detective schetste in enkele anekdotes hoe gemakkelijk de mensen om de tuin te leiden zijn. Een bril opzetten is genoeg om winkelpersoneel te doen geloven dat je een heel andere klant bent dan die van daarstraks zonder bril.

Het lijkt vreemd dat kijken zich nog altijd op zo'n eenvoudig niveau afspeelt, terwijl wij nu toch al decennia in een uitgesproken beeldcultuur leven.

Maar is in die cultuur kijken niet veel meer een passiviteit dan een activiteit? Dat zou weleens de reden kunnen zijn waarom het beeld nog lang niet de onwankelbare positie heeft van het getal en het woord. Het beeld verhoudt zich nog tot die twee als het schoolvak kunstbeschouwing tot taal en rekenen: je hoeft er weinig voor te doen en kunt er niet op blijven zitten.

Geen wonder dat de computercultuur, waarin wij ook leven, op beeldgebied nog tamelijk weinig gepresteerd heeft. De computer kan rekenen als geen ander, hij kan zelfs de wereldkampioen schaken verslaan. Op taalgebied is hij weliswaar wat minder ver, maar zoiets als een gesproken tekst correct gespeld in een gedrukt document omzetten, dat gaat hem al goed af. En drie miljoen teksten voor je opzoeken waar het woord koe in voorkomt lukt hem ook als de beste.

Maar op beeldgebied kan de computer zulke dingen nog bij lange na niet. Ja, hij kan beelden inladen en ze een beetje manipuleren, maar hij kan bijvoorbeeld niet, als je daarom vraagt, een plaatje van een koe tekenen. Hij kan ook niet, als je hem een getekende koe opgeeft, drie miljoen plaatjes voor je opsporen waar zo'n beest op voorkomt.

Het zal wel geen toeval zijn dat de wiskundige die probeert daar wat aan te doen, Ben Schouten, tevens kunstenaar is. Want als kunstenaar valt je zoiets op: waarom kan met beelden niet wat met woorden wel kan? Terwijl hij in Den Haag vertelde over zijn onderzoek, had hij wel iets van een atletiekleraar die probeert een kruipende baby te leren lopen. Ongetwijfeld zal het kind ooit sprinten, maar och, wat heeft het nog een lange weg te gaan.

De blinde

Nu zijn de onderzoekers van beelden en hoe wij daarnaar kijken niet anders gewend dan lange wegen. In het verleden hebben ze zich beziggehouden met kwesties die in geen eeuwen tot een oplossing waren te brengen. Een interessant voorbeeld van zo'n kwestie is het probleem van Molyneux, het onderwerp van de filosoof/bioloog Marjolein Degenaar.

In 1688 vroeg de Ierse filosoof William Molyneux zich af of een blindgeborene, die een bol en een kubus op de tast van elkaar heeft leren onderscheiden, dat vervolgens ook met z'n ogen zou kunnen wanneer hij opeens zou gaan zien. Vele geleerden (Locke, Berkeley, Voltaire, Diderot, William James) hebben zich in het probleem verdiept, maar zijn er niet uitgekomen. Hun filosofieën leidden tot niets en ook proefondervindelijk onderzoek heeft zijn beperkingen (echte blinden gaan nooit zien). Toch werkt het probleem nog steeds op de verbeelding.

Nee, zegt de wetenschapper in ons meteen, natuurlijk kunnen die plotseling ziende ogen de bol en kubus niet herkennen. Met betasten zijn immers heel andere hersendelen gemoeid dan met bekijken. Waarom zou het geheugen de gevoelde en de waargenomen vormen met elkaar in verband brengen als het geen tijd heeft gehad dat te leren?

Maar de kunstenaar in ons denkt anders, want verstaat de kunst van het met de vingers kijken. Kunstenaars zijn als kinderen in een speelgoedwinkel, dingen waar ze iets in zien moeten ze aanraken en door ze aan te raken gaan ze er nog meer in zien. Kijken en aanraken overlappen elkaar, zegt de kunstenaar, ooit zal dat wetenschappelijk worden vastgesteld. Dat mensen beter op woorden kunnen komen door bij het praten te gesticuleren is toch ook bewezen?

En dat mensen beter denken door erbij te wandelen, voegen we daar, met het oog op de kunstenaar/wandelaar Esther Polak, nog aan toe. Want zijn de geleerden niet al sinds de oudheid overtuigd van dat verband? Werden de volgelingen van Aristoteles niet peripatetici genoemd, rondwandelaars? Zwoeren Rousseau, Kierkegaard en Wordsworth niet bij het wandelen als de bron van hun mooiste gedachten? Wat te denken van Walter Benjamin en zijn ideeënrijke slentertochten door Parijs?

Voor Polak is wandelen verbonden met denken én kijken. Ze houdt ervan `lekker door en vooruit te lopen', er is nog enorm veel werk te doen. De gedachte alleen al aan wat ons oog allemaal ontgaat is haar onverdraaglijk. Zoals de kunstenaar/wiskundige zijn computer wil leren een koe te herkennen, zo wil de kunstenaar/wandelaar zichzelf leren alles te zien: alle vogels, elke vermomde winkelklant, iedere aandachtsverslapping bij haar gesprekspartners, ja alle vormen die ze eerder, toen ze nog blind was, alleen maar kon voelen.

Patroon

Vorig jaar heeft ze de combinatie van wandelen, kijken en denken omgezet in een mooi project in Amsterdam. Het Gemeentearchief organiseerde toen een overzichtstentoonstelling van oude en nieuwe kaarten van Amsterdam. Polak (in samenwerking met kunstenaar Jeroen Kee en Waag Society) sprong daar op in door Amsterdammers de kaart van hun stad te laten tekenen door hem te lopen (fietsen en autorijden mocht ook). Alle deelnemers kregen gedurende een week een elektronische zender mee die communiceerde met satellieten, en hun verschillende routes werden rechtstreeks zichtbaar op een groot zwart scherm in het Gemeentearchief. Doordat de meesten zich niet kriskras door de stad bleken te bewegen, maar zich keurig verplaatsten langs hetzij de concentrische cirkels van het grachtenpatroon, hetzij langs de radialen die daar dwars op staan, werd de typische Amsterdamse stadsplattegrond na verloop van tijd vanzelf herkenbaar.

Wat Polak ermee beoogde, was dat de tentoonstellingsbezoeker de weg die hij na afloop naar huis nam zou beleven als het maken van een tekening. Hij moest ,,in gedachten de lucht in vliegen en zichzelf in een ander perspectief zien: als een getekend spoor''.

Dit kunstwerk past feilloos in de traditie van de conceptuele wandelkunst uit de jaren zestig, waar onder anderen Stanley Brouwn zijn faam aan heeft te danken. Ook Brouwn zette de mensen aan tot het bedenken en uittekenen van routes door de stad in zijn beroemde project This way Brouwn. Daarbij vroeg hij op straat de weg en liet hij de mensen een schetsje maken van hoe hij moest lopen. Van al die schetsjes samen maakte hij dan een expositie.

Behalve de inhoudelijke verwantschap tussen Brouwn en Polak is ook het verschil duidelijk. Het is het rechtstreeks gevolg van de decennia van artistieke, technische en maatschappelijke ontwikkeling die tussen beiden in liggen. Brouwn was streng en werkte met minimale middelen. Maar juist die cerebrale soberheid doordrong de kijker ervan dat het Kunst was wat hij maakte.

Polak daarentegen werkte met dure, geavanceerde spullen: computers, satellieten, GPS-tracers. Streng is ze niet en de vraag of het Kunst was wat zij maakte, kun je ook achterwege laten. Maar daarom doet haar werk nog niet voor dat van Brouwn onder. Haar doel om de mensen tot zelfbeschouwing te bewegen slaagde volkomen. Deelnemers ontstegen het straatniveau van de gewone stadsgebruiker, en gingen van bovenaf naar zichzelf kijken als naar een potloodpunt die een tekening maakt. Daarvoor zijn wetenschappelijke bewijzen.

Zo bevond zich onder de deelnemers een jongeman, Chris, die al begonnen was zich met zijn tracer door de stad te bewegen, toen hij de organisatie verzocht opnieuw te mogen beginnen. Hij had namelijk plotseling een duif in Amsterdam gezien, dat wil zeggen in de plattegrond van Amsterdam. De kop lag in Noord, de staart op de Oostelijke eilanden, de borst was een stuk van de Singel. Door dat hele traject af te leggen heeft hij een sprekend lijkende duif getekend.

Pure conceptuele kunst!

Wat dat is? Kunst die door veel beleidsmakers wordt gezien als de vijand van alle publieksbereik. Iets wat je minstens moet aanlengen met een stevige coupe ijs om er iemand warm voor te krijgen.

Maar die beleidsmakers weten er niets van, ook dat is wetenschappelijk bewezen: de belangstelling voor deelname aan het project van Polak was zo overweldigend dat velen moesten worden afgewezen.

AmsterdamREALTIME, dagboek in sporen kan worden bekeken op http:// realtime. waag.org. Een videoband van de avond bij Stroom, getiteld `Zie jij wat ik zie', en ook een boekje van Esther Polak over onder meer haar ervaringen als vogelaar, getiteld `Het lezen is de vijand van het kijken', zijn te bestellen bij Stroom Den Haag, 070-3658985, www.stroom.nl. Polak zal een bijdrage leveren aan URBAN PLANNING 2003, 15-17 april a.s. in de RAI te Amsterdam, www.urban-planning.nl