Voor elke vrouw staat de val klaar

`Tja, eigenlijk wil ik helemaal niet van die kleine rotzakjes. Nee, dat wil ik niet. Nasarian wil geen kinderen! Ze jengelen, ze zeuren en ze stinken en als ik heel eerlijk ben wil ik ze gewoon niet!' De vrouw die dit zegt, tegen zichzelf, waarbij ze giechelt van opluchting en schaamte, is jong. Te jong om in de val van het moederschap te trappen, vindt zij. Maar haar omgeving heeft de val al gezet.

Speelt dat zich hier af, in Holland? Nee, in Afrika. En wel in de Keniase bush, waar de Samburu-stam, een volk van herders en krijgers, de toekomst der vrouwen zorgvuldig bewaakt. Auteur Kuwana Haulsey volgt een Samburu-meisje op de drempel naar de volwassenheid en ze noemt haar Nasarian. Een gewone Samburu is deze tiener niet. Haar weerzin tegen het krijgen van kleintjes, haar rebellie en twijfel, haar schrijnende isolement: ze heeft het te danken aan haar moeder. Een Somalische, buitgemaakt en als slavin meegesleept door Nasarians vader. Door hem bemind – en gehaat door een van zijn andere vrouwen. Hun kind, een halfbloedje, mocht er niet zijn.

Rode maan begint met de dood van de moeder. `Op een harde, halfvergane koeienhuid en overdekt met kakkerlakken en as' overlijdt zij, vernederd, omdat ze een outcast was. Haulseys toon is droevig noch sentimenteel. Nare en mooie, wrede en tedere dingen vloeien samen in krachtige, lyrische beelden die het Afrikaanse landschap heel dichtbij brengen. Neem de eerste zinnen: `De maan was rood in de nacht dat mijn moeder stierf. Bolrond, bijna op barsten, in mijn herinnering, stond ze zo laag aan de hemel dat ze over de ruggen van de luipaarden scheerde die naar haar sisten en spuwden en haar vervloekten omdat ze de jacht verstoorde. Ze streelde de doornige punten van de acacia's, boog ze om, leek ze te pletten met licht.'

In de stijl zit een ontwikkeling. Haulsey zet in met middelen uit de orale Afrikaanse vertelkunst, met voorouder-geschiedenissen en dierenfabels en variaties op oude gezegden. Maar zoals de hoofdpersoon zich voorzichtig uit de clancultuur losmaakt, zo laat de schrijfster steeds meer verteltradities los, zodat er ruimte komt voor een autonoom geluid. Nasarians zoektocht naar een eigen identiteit krijgt zowel inhoud als vorm – alleen heeft Haulsey van meet af aan greep op het avontuur en haar personage niet.

Nasarian strompelt en struikelt, ze verdwaalt en maakt kapitale fouten, en ze heeft geen idee of ze het in haar eentje zal redden. Haar moeder is dood, haar vader is dat al langer, een halfbroer bemoeit zich met haar. Hoogste tijd om je te laten besnijden, sist Lolorok haar toe, want `een onbesneden meisje is als een slechtzittende schoen die niemand aan wil trekken'. Geïrriteerd door de onhandelbaarheid van dat meisje geeft de halfbroer haar plotseling weg. Aan een verre neef, die met zijn gezin in de stad woont.

Kuwana Haulsey, die sinds haar geboorte in 1973 in het New Yorkse Harlem woont, kon voor die stadsscènes dicht bij huis blijven. Ook háár stad is vol nieuwkomers die bezeten zijn door de droom van de opwaartse mobiliteit. Niet dat Haulsey de hele tijd thuisbleef. De jonge Afro-Amerikaanse ging op het zwarte continent op zoek naar haar roots en daar, in Kenia, leerde ze zowel de stedelingen als de Samburu kennen.

Gestoord en ontwricht zijn die, als we mogen afgaan op het gezin van de neef: de jacht op materieel gewin heeft hem en zijn echtgenote van binnen uitgehold en hun enige passie is de drank. En de traditie is opgegeven – behalve dan het geweld. Neefs kleine dochter gaat eraan te gronde. Maar Haulsey veroordeelt deze mensen niet. In een ontroerende dialoog smeekt de vrouw des huizes het nichtje hun geld aan te nemen, opdat zij, Nasarian, kan gaan doen wat niemand in de familie ooit kon: studeren.

Het eerste deel van de roman speelde zich af in de bush, het tweede in een middelgrote stad en in deel drie reizen we mee naar een echt grote stad, naar Nairobi. Hier de beschutte campus, daar de volksbuurtjungle, waar passanten in de fik worden gestoken uit frustratie van de arme zwarten en uit sensatiezucht. Ook Nasarians minnaar vindt zo'n gruwelijk einde. Door toedoen van haarzelf. Augustin, op de campus conciërge, is een Samburu en voor de pas aangekomen studente op een verscheurende manier vertrouwd. Hij ruikt naar haar familie, maar zij is juist bezig om de nestgeur de rug toe te keren. Zij krijgt een beurs om in Amerika door te leren, maar hij wil haar bij zich houden. Besnijdenis, huwelijk, kindje: de val staat alweer klaar.

Zeker heeft de dood van deze toegewijde en helemaal niet zo onwijze minnaar met noodweer te maken, maar door haar medeplichtigheid valt er op Haulseys heldin een zware schaduw: dit is een problematische protagoniste en haar weg naar onafhankelijkheid is net zo bloederig als die van het land dat zij verlaten zal.

Zo krijgt Rode maan het onmogelijke voor elkaar. Het ontroert en choqueert, het overweldigt en scherpt het verstand, het maakt woedend en wekt begrip. De verwarring van een jonge Afrikaanse vrouw is de onze geworden. De tegenstellingen zijn niet opgeheven maar wel opgelost, in de bedrieglijke echtheid van grote literatuur.

Kuwana Haulsey: Rode maan. Uit het Engels vertaald door Marianne Gaasbeek. De Geus, 285 blz. €22,50