Vermorzel ons als olijven

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Verpletterde schoonheid', drie romans en een ode aan Kafka van Bohumil Hrabal (Vertaald en met een nawoord door Kees Mercks, Bert Bakker, 414 blz. euro 29,95)

`Zelden vinden we in zijn omvangrijk oeuvre een passage die puur fictief is,' schreef vertaler Kees Mercks bij de dood, zes jaar geleden, van de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal. In Verpletterde schoonheid, het onlangs verschenen derde deel uit de Hrabal-reeks van uitgeverij Bert Bakker, heeft Mercks drie van Hrabals bekendste romans bij elkaar gebracht. Zwaarbewaakte treinen, Al te luide eenzaamheid en Ik heb de koning van Engeland bediend zijn alle drie opgebouwd uit de meest wonderlijke, over elkaar heen buitelende verhalen – haast te wonderlijk om niet fictief te zijn. Hrabal was wellicht een schrijver die zijn thema's zocht in het leven van eenvoudige mensen, in de marge van de samenleving, maar hij wist ze zo op te schrijven en in elkaar te vlechten dat het surrealistische van het dagelijks bestaan als vanzelf naar boven komt drijven.

Mercks heeft deze werken al eerder onder handen gehad. Voor deze hervertalingen kon hij eindelijk gebruik maken van de ongecensureerde `oertekst', de inmiddels 19-delige Verzamelde Werken. De vertaler schrapt al het overtollige weg, hij brengt reliëf in vervlakking en schuurt ruwe hoeken glad. De teksten glanzen, Hrabal is dichterbij dan ooit.

De drie romans spelen zich allemaal af in en rond de oorlogsjaren. In elke roman vindt de hoofdpersoon dat hij iets te bewijzen heeft, of in ieder geval zijn sporen moet achterlaten, ondanks, of juist vanwege, de machten die hem willen en zullen verbrijzelen. Hun pogingen daartoe zijn komisch, diep treurig, of volkomen belachelijk. Heel anders dan de helden van het `tot dan nog heersende socialistisch realisme,' schrijft Mercks in zijn nawoord. Hrabals personages `hoeven allerminst heldhaftig te zijn, ze halen zichzelf geregeld onderuit of weten hun zwakheid op één gebied te compenseren met een ongewone sterkte op een ander vlak.' Of in de woorden van Hant'a, uit Al te luide eenzaamheid, `We zijn als olijven, pas wanneer we worden vermorzeld, geven wij het beste van ons prijs.'

Ze zijn wel vertederend, deze mannen. `Milo Hrma is mijn naam', stamelt de onhandige held van Zwaarbewaakte treinen tegen de verleidelijke Viktoria Freie, `weet u, ik heb mijn polsen doorgesneden omdat ik, zoals dat heet, aan ejaculatio praecox lijd. Maar dat is niet waar. Toen ik met mijn meisje in bed lag, werd ik helemaal slap, als een verwelkte lelie, maar onder ons gezegd, ik ben 'n echte man'. Viktoria helpt hem een handje, maar om zijn mannelijkheid eens goed te bevestigen besluit hij – het is immers 1945 – een verzetsdaad te verrichten. Dit moet hij met de dood bekopen. Maar sterft hij ook echt? Wij moeten onze eigen conclusies trekken.

Al te luide eenzaamheid, de tweede en donkerste roman in deze bundel, is het verhaal van Hant'a, een oudpapierpletter die al vijfendertig jaar in een Praagse kelder werkt, waar hij boeken probeert te redden uit de massa's vuilnis die dagelijks over hem heen worden gestort. Hij leest en bewaart ze en soms, als hij een nieuwe baal moet persen, stopt hij één van de boeken erin, als een parel in een oester. De buitenkant van zijn balen versiert hij dan met weggegooide reproducties van oude meesterwerken. Deze zorgvuldig geconstrueerde balen worden de volgende dag weer vernietigd, maar dat weerhoudt hem niet. Als blijkt, op een dag, dat hij vervangen zal worden door jonge, vlotte werkers en hun state-of-the-art hydraulische pers, vervaardigt hij zijn meesterwerk: een grote baal met zichzelf in het midden, zijn eigen hart als ultieme parel.

De kleine, Candide-achtige ober Ditie, in Ik heb de koning van Engeland bediend, heeft de koning van Engeland nog nooit ontmoet, laat staan bediend. Wel de keizer van Abessinië – een enkele keer, in het Hotel Parijs. Ditie krijgt `wegens voorbeeldige bediening' een orde opgespeld, `weliswaar qua rang de kleinste, maar qua grootte de grootste'. Van tijd tot tijd haalt Ditie zijn orde trots te voorschijn en speldt hem op, goed zichtbaar voor de buitenwereld. De lezer grijnst, wat een naïviteit! Maar het is juist dit kinderlijke optimisme – de naam Ditie is afgeleid van het Tsjechische woord voor kind – waardoor hij de bezettingsjaren weet te overleven. Hij is ook de enige van de drie helden in Verpletterde schoonheid die uiteindelijk een soort vrede lijkt te hebben gevonden – tenzij de zelfgekozen dood van Hant'a als vredig kan worden beschouwd – als wegwerker, diep in de Boheemse bossen. Daar deelt hij zijn hutje met een paard, een geit, een kat en een hond. Trouwe Hrabal-lezers weten dan ook dat het goed is, want in de wereld van Hrabal zijn de dieren het zuiverste, het meest onschuldige, van alle wezens.

Verpletterde schoonheid wordt afgesloten door een vierde werk: de korte, poëtische Adagio Lamentoso. Deze tekst, die opgedragen is aan Franz Kafka, werd pas na de Fluwelen Revolutie van 1989 gepubliceerd. Toch werd Adagio Lamentoso, in de jaren dat Al te luide eenzaamheid net voltooid was, al verspreid en gelezen. Moest het worden beschouwd als apotheose bij Al te luide eenzaamheid? Of stond het daar los van? Kees Mercks vond dat roman en gedicht in ieder geval bij elkaar in de buurt moesten blijven: en wie aan Hant'a's zigeunermeisje denkt, hun liefde tegen de achtergrond van het dreigende gevaar dat het zigeunermeisje, en anderen, uiteindelijk zou verpletteren, kan daar moeilijk omheen: `Zo slenterden we ooit zwijgend hand in hand/ door de rietgroene invallende avond,/ in een kazerne werd triest de trieste avondklok geblazen,/ de voering van de avond was van de violette zij van werkkledij,/ in een kazerne werd triest de avondklok geblazen,/ de schaduwen vlijden zich in bruingroene plooien.'