U moest eens weten, meneer

De strijd tussen Nederland en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders heeft pijnlijke, maar zeer diverse wonden nagelaten. Dat toont een studie naar de individuele psychische omgang met dat verleden en naar de openbare herinnering eraan.

`Ook ik ben weggelopen toen ze een zware wagenas op een ondervraagde smeten. Ook ik heb gemarteld', schreef in 1969 een voormalig dienstplichtige aan de VARA naar aanleiding van de spraakmakende uitzending van het toenmalige actualiteitenprogramma Achter het Nieuws over de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië. `U moest eens weten hoe vele jongens er mee zitten, dat ze dingen moeten doen, militair noodzakelijk, christelijk ongeoorloofd', noteerde een veldprediker twintig jaar eerder, midden in het krijgsgewoel.

Beide citaten zijn ontleend aan het omvangrijke proefschrift Last van de oorlog. De Nederlandse oorlogsmisdaden en hun verwerking, waarin de Rotterdamse historica Stef Scagliola een analyse maakt van de Nederlandse omgang met die gewelddadige jaren.

Met deze titel neemt Scagliola stelling. De term oorlogsmisdaden is als het om `ons Indië' gaat tot op de dag van vandaag controversieel. Toen L. de Jong het woord in 1987 hanteerde in het concept voor de Indische delen van zijn geschiedwerk, viel dadelijk de georganiseerde veteranenwereld over hem heen. Hij zag zich gedwongen zijn conclusies te verzachten. Hetgeen hem nu alsnog op een uitbrander komt te staan van Scagliola, die ook nogal veel collega's verwijt dat zij een `neutraliteitscode' en daarmee een `immuniseringsstrategie' hanteren voor pijnlijke zaken.

Hoeveel wist Nederland van wat zich aan gruwelijks afspeelde in de gordel van smaragd? Was de veldprediker tijdens onze koloniale oorlogen, die toen nog verhullend politionele acties heetten, de enige die het geweld en de problemen van veel militairen met dat geweld kende en in de openbaarheid bracht? Zeker niet. Nederland sleepte zich tussen 1950 en nu inzake deze oorlog weliswaar van incident naar incident, van onthulling naar onthulling, maar Scagliola laat mooi zien dat feiten en geruchten over oorlogsmisdaden ondanks de censuur al tijdens de oorlog en vlak daarna doorsijpelden. Niet alleen in intieme kring, maar ook in de pers, de linkse en de kerkelijke pers vooral.

Tropenkolder

Aan de onthullingen waarmee Joop Hueting in januari 1969 een rel veroorzaakte, was in 1954 al een kritisch overheidsrapport voorafgegaan, dat echter niet buiten de ministerraad kwam. Ook Huetings feitenrelaas (waaronder `het zonder militaire noodzaak met mitrailleurvuur doorzeven van kampongs') werd gesmoord in een overheidsnota: de Excessennota van juni 1969. Het stuk werd door socioloog (en toenmalig dienstplichtige) J.A.A. van Doorn in zijn samen met W.J. Hendrix in 1970 gepubliceerde Ontsporing van geweld gekenschetst als `beschamend', omdat het de indruk wekt dat geweldsexcessen uitzonderlijk waren; door bovendien die excessen te definiëren als persoonlijke uitspattingen werd, menen Van Doorn en Hendrix, aan het systematische karakter ervan voorbijgegaan.

Onder `verwerking' verstaat Scagliola zowel de individuele psychische omgang met het verleden als de openbare herinnering en meningsvorming. Drie woorden, drie gezichtspunten typeren die nationale herinneringsgeschiedenis: doofpot, taboe en trauma. Bij de woorden doofpot en taboe horen drie door haar geanalyseerde beroepsgroepen: historici, politici, journalisten. En bij `trauma' horen de veteranen. Scagliola analyseert als eerste de 885 brieven die Achter het Nieuws in 1969 ontving. In die correspondentie komt, anders dan bij de latere kwesties De Jong en Princen, het begrip `trauma' nauwelijks voor. Mooi materiaal leveren ook de militair-psychiatrische verslagen van `tropenkolder', drankzucht, geslachtsziekten en jongens die instortten als hun verloofde per brief hun relatie had beëindigd. Een stevig slaapmiddel was een van de weinige behandelingsmethoden waarover de dokters beschikten. Wie helemaal mata gelap werd, werd opgesloten in een kooi van metaalgaas.

Scagliola onderscheidt een medisch-psychologisch en een metaforisch trauma. Met dat laatste bedoelt ze een gevoel van miskenning. Dit onderscheid is nuttig, omdat miskendheidsgevoelens inderdaad vaak als trauma worden gepresenteerd, niet zelden met strategische bedoelingen. In 1993 en 1994 bijvoorbeeld werd tegen de visumaanvraag van de in veteranenkringen omstreden `overloper' en mensenrechtenactivist Poncke Princen aangevoerd dat zo'n visum een extra kwetsuur zou betekenen voor door de oorlog toch al beschadigde zielen. Maar waardoor waren die zielen nu eigenlijk beschadigd? Door het geweld dat men had ondergaan of zelf had begaan? Of waren de zielen beschadigd doordat men naar een heel andere oorlog in heel andere omstandigheden was gestuurd dan gedacht en doordat men na terugkeer maar weinig troost, roem en eerbetoon ontving? Juist omdat gevoelens van bedrog en de weinig glorieuze terugkeer – een gevoel van miskenning dus – belangrijke componenten kunnen zijn geweest in eventuele `medische' traumatisering, zijn `echte' en `metaforische' trauma's in de praktijk vervlochten.

Avontuur

Men kan de Indië-veteranen zowel daders als slachtoffers noemen. Daders, mogelijk, van excessief geweld tegen vaak onschuldige mannen, vrouwen en kinderen. Slachtoffers misschien van de naoorlogse regeringspolitiek, die hen op deze heilloze missie stuurde. De categorie `veteranen' is dan ook bepaald geen eenheid. Sommigen eisen met de nieuw-verbreide kennis omtrent psychotrauma erkenning als slachtoffer, als zieke. Anderen daarentegen verlangen de erkenning dat men ten dienste van het vaderland een eervolle militaire taak heeft verricht, en bij die opoffering en prestatie passen trots en openbaar eerbetoon – geen verhullende, softe psychiatrisering en invalidisering. En dan zijn er natuurlijk nog degenen voor wie deze episode een plezierig avontuur in den vreemde was.

Die nadruk op verschillen in belang en ervaring is Scagliola's sterkste punt, ook inzake de oorlogsperiode zelf, beschreven in het eerste deel van haar boek. Dat biedt een goed inzicht in de uiteenlopende beleving van KNIL-soldaten, Koninklijke Landmacht en oorlogsvrijwilligers.

Scagliola heeft een uitgebreid, breed uitwaaierend onderzoek verricht en een grote hoeveelheid en variëteit aan bronnen opgespoord en gezien. Voor die inspanningen verdient ze alle lof. Toch is die kwantiteit voor haar boek niet louter een voordeel. Last van de oorlog is een enigszins ongrijpbaar werk. Soms lijkt het of Scagliola de regie over wat nu eigenlijk haar vraag was, is kwijtgeraakt en heeft willen hernemen door haar stof middels allerlei delen en subdelen tot een systematiek te forceren. Elders loopt ze zichzelf voor de voeten doordat ze telkens haar mening wil geven over hoe historici hun werk horen te doen. Bovendien neigt ze ertoe haar geleerdheid te bewijzen met een overdaad aan terminologie. Niet alleen de enorme diversiteit aan ervaringen en belangen die zij onder de betrokkenen constateert, ook de opzet en stijl van haar eigen boek maken dat het lastig blijft de last van deze oorlog echt te vatten.

Stef Scagliola: Last van de oorlog. De Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking. Balans, 447 blz., geïll. €30,–

    • Jolande Withuis