Rotmensen in een rotbuurt

Als wij Ingrid Hoogervorst mogen geloven, dan was opgroeien in Amsterdam-West in de jaren vijftig en zestig zo ongeveer het ergste wat een kind kon overkomen. In Woede, haar eerste roman, wordt in korte, driftige zinnen heel wat afgetierd over die `rotbuurt' waar geen normaal mens zijn leven lijkt te willen slijten. Asocialen wonen er, Indische mensen, ofwel `blauwen', stijve, brave gereformeerden en types waar een steek aan los zit, ofwel `krukels'. Daar ergens tussen woont het familie-Flodderachtige gezin dat Hoogervorst als speciaal object voor haar roman koos, waarschijnlijk op basis van eigen ervaringen. Vader, moeder en vijf kinderen: allemaal kampend met een ontregelde drifthuishouding. Bij het minste of geringste springen de gezinsleden uit hun vel en worden er armen omgedraaid, kopstoten uitgedeeld en nagels in gezichten gekerfd. `Bij ons wordt niet gepraat maar gekrijst', zo krijgen we al snel te horen. Rustig eten is alleen mogelijk nadat `ma' een natte vaatdoek uit de keuken heeft gehaald en iedereen er een klets mee om de oren heeft gegeven. Intussen eet `pa' als enige gewoon door. De oudste zoon, `boksbroer', zijn naam zegt het al, is van de vijf kinderen het meest opvliegend en zal zijn laatste gevecht niet overleven. `Professor Pipi', de tweede broer, is veel bedachtzamer, maar hij bijt fanatiek nagels en houdt niet van grapjes. `Zus' maakt de twee jongere meisjes graag 's avonds laat aan het huilen door hun griezelverhalen te vertellen. Ook gebruikt zij zonder pardon haar lange nagels als iets haar niet bevalt. Over de middelste zus, `Koekoeksjong', komen we niet veel meer te weten dan dat zij als peuter een krik tegen haar hoofd heeft gekregen waardoor zij wat is achtergebleven.

De jongste van het stel, `Pinkie', degene die het familieverhaal vertelt, kauwt 's avonds in bed haar wangen tot bloedens toe kapot, maar weet overdag, als de situatie dat vereist, wel van wanten. De gluiperige Hansje Oosterbaan, die haar altijd staat op te wachten in de donkere fietskelder, krijgt op een dag eerst een `knietje' en vervolgens een flink pak slaag. Daarna lijkt zijn rol uitgespeeld. Op zondag, `verveeldag', is de buurt wel op zijn allerrotst. Dan mogen de gereformeerde kinderen niet buiten spelen. `Ik zou ze van hun balkonnetjes af willen ranselen', barst Pinkie maar weer eens los, `met mijn vuisten op hun witte gezichten trommelen, hun tamme gedienstigheid eruit beuken, trappen tegen hun slome achterkant met de afhangende schoudertjes.'

Waaraan de gereformeerde kinderen deze ferme oorlogstaal te danken hebben, zou ik niet weten, want ze hebben, voorzover valt na te gaan, niets anders op hun kerfstok dan dat ze de zondag in ledigheid moeten doorbrengen. Zo is er wel meer in deze gebeurtenissenrijke roman dat maar voor zich moet spreken. Ook naar de herkomst van de woede valt alleen maar te gissen.

Ik vermoed dat de Tweede Wereldoorlog er een rol in speelt, want regelmatig worden er door pa en ma en ook door een oom en een tante akelige oorlogsverhalen opgedist waar Pinkie ademloos naar luistert. Haar vader, half joods, wist in 1943 aan een transport naar Duitsland te ontsnappen door ongezien uit de trein te springen en vervolgens onder te duiken. Ook zijn directe familieleden wisten de oorlog met wat kunst- en vliegwerk te overleven. Pinkies moeder was – anders dan haar zus en zwager – op tijd weg uit Nederlands-Indië om aan de Jappenkampen te ontkomen, maar maakte wel weer de hongerwinter mee, met drie kleine kinderen die ze in haar eentje moest zien te voeden. Een `rottijd', aldus ma, die niet moe wordt te klagen over het vele dat haar dwars zit: haar rotjeugd in Indië, die rotoorlog, dat rothuis, die rotbuurt, die rotvent en die rotkinderen. Het zijn dus niet alleen de ontberingen van de oorlog die haar het leven zuur hebben gemaakt, maar ook alles wat eraan voorafging en wat erop zou volgen.

Echt greep krijgt men intussen niet op deze vrouw, die wel voortdurend klaagt, maar daar objectief gezien afgaand op de informatie die Hoogervorst via Pinkie verstrekt ook weer niet al te veel reden toe heeft. Ook van pa, die bij herhaling als dik en harig wordt omschreven als was hij een wolf of een beer, is het onmogelijk hoogte te krijgen. Hij is gelovig, maar roept regelmatig `godverdomme'. Hij helpt in het huishouden, maar het getier is daarbij niet van de lucht. Vaak houdt hij zich afzijdig, maar af en toe zegt hij ook gemene dingen. Hij verdient de kost door te handelen in kapot antiek en heeft een opmerkelijke voorkeur voor alles wat Duits is. Wat hij ziet in zijn vrouw, in zijn kinderen en in het leven, is raadselachtig.

Pa, ma en de kinderen: stuk voor stuk onduidelijke figuren met onduidelijke karaktereigenschappen die zich om onduidelijke redenen nogal agressief gedragen. Dat geldt ook voor hoofdpersoon Pinkie, al komen we van haar nog het meest te weten. Zij verschijnt aan ons in twee gedaanten: als meisje van een jaar of twaalf en als gepensioneerde bibliothecaresse, in een rolstoel, mogelijk ten prooi aan een slopende ziekte. In tien nogal zwaarwichtig klinkende intermezzo's, sterk afwijkend van het snelle, levendige taalgebruik in de overige hoofdstukken, legt de oud geworden Pinkie uit dat zij, al schrijvend, `met haar woede als motor', haar verleden in kaart wil brengen, er haar eigen verhaal van wil maken. `Als het op papier staat', zo veronderstelt ze, `zal ze de waarheid zien, eindelijk van hun geheimen en hun zorgen bevrijd'.

En dan zijn we weer terug bij het begin. Want wat op papier komt te staan, is natuurlijk de roman Woede, waarin lucht wordt gegeven aan de `onuitgesproken toorn' die `een halve eeuw' is meegetorst. Pinkie bevrijdt zich van haar familie, zo is kennelijk de bedoeling, door in een stroom van furieuze zinnen, hun geheimen en zorgen aan de openbaarheid prijs te geven. Maar wat is de waarheid in dit verband? Een lezer kan niet veel meer dan de schrijfster op haar woord geloven. Of niet, natuurlijk.

Hoogervorst doet in Woede verslag van de vele troebelen die een meisje moet doorstaan: een huis vol ruzie en herrie, een moeder die geen aandacht voor haar heeft, afgedragen kleren, geen verjaarscadeaus. Dat verslag is soms erg geestig en soms ook spannend, maar wat mij vooral zal bijblijven is de machteloze woede die eruit spreekt. Hier is iemand aan het woord die net niet genoeg greep heeft weten te krijgen op de materie, die nog steeds boos is en verdrietig om wat haar is aangedaan, maar niet weet op wie of wat ze haar woede moet richten. Op haar rotouders, haar rotbroers en rotzusters, op het rothuis, haar rotjeugd of toch vooral op die rotbuurt?

Ingrid Hoogervorst: Woede. De Bezige Bij, 230 blz. €19,50