Politici en media bekeren zich tot oorlog Irak

Steeds meer Amerikaanse politici en opinievormers scharen zich achter de president en zijn oorlog.

Nu de Amerikaanse oostkust zich langzamerhand weer aan de winterstop en de gevolgen van een sneeuwstorm ontworstelt, blijkt dat alle onvoorziene vormen van uitstel die de Amerikaanse plannen met Irak zijn opgelegd, een onverwacht bijproduct hebben gehad: tijd om de argumenten van president Bush voor militair ingrijpen nog eens tegen het licht te houden.

Naarmate meer crisis-weken en -maanden passeren, wordt het beeld scherper, ook in Amerika. Dit wordt een oorlog die niet hoefde, maar wel moest. Allerminst ultralinkse deskundigen, van ex-NAVO-opperbevelhebber Wesley Clark en zijn collega van Golfoorlog I Norman Schwarzkopf tot en met Zbigniew Brzezinski en Brent Scowcroft, Nationale Veiligheidsadviseurs van respectievelijk president Carter en president Bush I, zeggen: er zijn dringender problemen dan Irak, en de uitkomst op langere termijn is veel onzekerder dan de waarschijnlijke militaire overwinning.

Tegelijkertijd neemt het aantal Amerikaanse politici en opinievormers toe dat, al of niet aarzelend, de bocht neemt en zich achter de president opstelt. Het Congres zwijgt vrijwel unaniem instemmend, met een enkele felle uitzondering. De bekendste Democratische presidentskandidaten (Kerry, Lieberman, Gephardt, Edwards) zijn voor: Edwards is het zuinigst, Lieberman het meest havik in zijn steun aan de president. Staatsburger B. Clinton knabbelt in de media met smaak aan de randjes van het beleid, maar spreekt zich ook niet uit tegen oorlog.

In de landelijke pers is het niet anders. Voormalig managing editor Bill Keller van The New York Times somde de lijst bekeerden op in een recent opiniestuk onder de kop `The I-can't-believe-I-am-a-hawk Club'. Zelf is hij inmiddels ook voor oorlog tegen Saddam, in het veilige gezelschap van niet-van-huis-uit-conservatieve publicaties als The Washington Post, The New Yorker, The New Republic, het web-magazine Slate, en allerlei schrijvers in bladen als Time en Newsweek.

Alleen het weekblad The Nation en het online magazine Alternet blijven onverkort tegen. En Jessica Mathews, de president van de Carnegie Endowment for Peace, houdt vol dat er ruimte is voor (letterlijk en figuurlijk) gewapende inspecties die een oorlog voorlopig overbodig maken.

De argumenten waarom Irak met alle militaire macht van de VS op korte termijn moet worden aangepakt variëren, ook binnen de regering. Niet de conclusie. Die blijft opvallend constant: de krachten van goed en kwaad maken zich op voor een afrekening. [Vervolg IRAK: pagina 5]

IRAK

'Verenigde Staten zijn een principiële supermacht'

[Vervolg van pagina 1] ,,Vice-president Dick Cheney is als een blok beton'', zegt een Europese diplomaat. De weinig in het openbaar geziene vice-president behoort tot de harde kern in de regering die al veel langer vindt dat Saddam Hussein weg moet.

Het verwijderen van Saddam Hussein en het in democratische zin verbouwen van het Midden-Oosten is een van de centrale stellingen het Project for the New American Century, een soort wereld-actiegroep onder aanvoering van William Kristol, hoofdredacteur van The Weekly Standard. Hij schrijft, samen met Robert Kagan, die nu furore maakt met zijn `Power and Weakness'-analyse van de Europees-Amerikaanse verhoudingen, al jaren hoofdartikelen die pleiten voor regimewijziging in Bagdad.

Andere conservatieven achter dit idee zijn de huidige onderminister van Defensie, Paul Wolfowitz, zijn adviseur Richard Perle, Cheney's stafchef `Scooter' Libby, staatssecretaris Feith en de man die Europa zo aan het schrikken kan maken, minister van Defensie Rumsfeld. De gepensioneerde militairen die zich sceptisch hebben uitgelaten zouden verwoorden wat menige generaal in actieve dienst niet kan zeggen. Nu deze vrij kleine groep een centrale positie in Washington heeft kan hun grote experiment beginnen.

Zij constateren niet alleen dat Amerika de enig overgebleven supermogendheid is, zij zien dat als de voorspelbare en terechte uitkomst van Amerika's trouw aan de eigen principes van vrijheid en democratie. Bovendien zijn zij pessimistisch over een wereld zonder één goedwillende politieman, een soort geprivatiseerde wijkagent die zijn eigen belang combineert met dat van een selectie aan onderdrukte volkeren elders. De Amerikaanse waarden zijn universeel, zoals president Bush meer dan eens heeft gezegd, maar niet iedereen kan tegelijk worden geholpen.

Terwijl de presidentskandidaat Bush en zijn diplomatieke adviseur Condoleeza Rice in 2000 repten van terugtrekking uit de Balkan en afwijzing van het begrip nation building, heeft de Wolfowitz-groep de overhand gekregen en behoort de ambitie de wereld te beschaven naar eigen model nu tot de doelstellingen van het beleid. Bij de verwante denktank AEI (American Enterprise Institute) wordt al gespeculeerd over de volgende tirannieke regimes die voor vervanging in aanmerking komen: Syrië en Saoedi-Arabië bijvoorbeeld.

Amerika kan het allemaal alleen af, gemeten naar het militaire overwicht, en toch probeert de regering-Bush sinds begin september de wereld te overtuigen dat het karwei-Saddam nu moet worden geklaard. In het begin werd de noodzaak gekoppeld aan Clintons jaren gebrek aan actie, en de onmacht van de Veiligheidsraad om naleving van alle Irak-resoluties af te dwingen. Gaandeweg werd de argumentatie vooral gebouwd rond Saddam Husseins ambitie massavernietigingswapens te bezitten en te gebruiken.

De Al-Qaeda-connectie werd maandenlang gesuggereerd maar amper hardop gebruikt. Pas in zijn grote 5 februari requisitoir voor de Veiligheidsraad kwam minister van Buitenlandse Zaken Powell ermee voor de dag, maar het heeft bij nader inzien vrijwel niemand overtuigd, ook niet in Amerika. De laatste dagen is het humanitaire argument sterk in opkomst.

Het is de vraag of de Europese publieke opinie nu nog vatbaar is voor zelfs dat aangrijpende argument. De regering-Bush heeft ,,veel meningen, een zwakke strategie en een verschrikkelijke diplomatie'' ten toon gespreid, in de woorden van Thomas Friedman, de diplomatieke rubriekschrijver van The New York Times.

Intussen lijkt de fase misschien voorbij waarin nog veel tegenstanders van militair ingrijpen in medestanders kunnen worden veranderd. Frankrijk en Duitsland zijn tot verrassing en ergernis van velen hier niet bezig de supertanker van hun diplomatie bij te sturen. Zij zullen – naar de stellige indruk van Europese diplomaten in Washington – in de Veiligheidsraad niet voor een motie stemmen die een ultimatum aan Saddam Hussein stelt met oorlog als directe consequentie van niet-naleving.

Het opvallende van de huidige situatie is dat, naarmate een tweede resolutie in de Veiligheidsraad naar Amerikaanse opvattingen dubieuzer wordt, de regering-Bush er harder aan trekt om het toch voor elkaar te krijgen. Omdat de Britse, Turkse en Saoedische bondgenoten daarop staan? Om de rekening van de jarenlange, moeizame reconstructie van Irak te kunnen delen met een zo groot mogelijk gezelschap donoren?

In de Amerikaanse politiek lijken het details, het invullen van een polis-aanvraagformulier. Ook zij die aarzelen gaan ervan uit dat de oorlog moet doorgaan na alles wat er is gezegd, al was het maar omdat de militaire opbouw zodanig is dat Bush zijn troepen niet onverrichterzake kan terughalen, zonder de nalatigheid van zijn vader te hebben goedgemaakt.

Een zwak argument, volgens Brzezinski, die daar woensdag in de Post over schreef: ,,Oorlogsparate troepen zijn decennia in Europa gestationeerd geweest; de huidige krijgsmacht kan bovendien sneller in actie komen dan ooit''. De dominante sfeer in de Verenigde Staten is niettemin: Saddam-wijziging moet, de aandacht van Amerika en de wereld kan niet veel langer worden vastgehouden.

De bijna theologisch formulering van zijn buitenlandse politiek draagt het stempel van president Bush. Maar de wereldvisie er achter is een groot neo-conservatief project dat zich graag baseert op het succes van Ronald Reagan bij het ten val brengen van het sovjet-imperium. Het is een experiment dat zijn eerste succes nog moet boeken. De minachting waarmee Clintons Noord-Korea-beleid terzijde werd geschoven heeft een crisis opgeleverd die volgens de meeste deskundigen vele malen acuter is dan Irak. De eenzijdige steun voor Israëls Sharon, heeft het Midden-Oosten voorlopig destabilisatie bezorgd. Het Atlantisch bondgenootschap is nooit zo aan rafels gepraat als de laatste maanden.

De Europese verwarring wordt hier het met een vrij algemene Schadenfreude uitgemeten. Die moedige ex-communistische satellietstaten mogen wel bij de dollar-zone komen. Is het opperste beleefdheid dat Washington nog steeds en opnieuw probeert een groen licht van het wereldkantoor in New York te versieren? Of krijgen de neo-conservatieve laboranten toch klamme handen nu hun grote proef staat te beginnen en zij dreigen alleen de woestijn in te moeten?