Politici deugen niet en het volk is gevaarlijk

Rechtse mensen kunnen niet schrijven (of ze krijgen er te weinig voor betaald). Dit is een ideé reçue. Het is op allerlei manieren te weerleggen, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de Amerikaanse journalist Henry Louis Mencken. Die was onversneden rechts – misschien is de omschrijving `nihilistische conservatief' nauwkeuriger – en schrijven kon hij als de beste, als een Mark Twain, in een superieure, honende stijl. Bovendien is hij er welgesteld mee geworden. Zo helpt H.L. Mencken dus bijna een halve eeuw na zijn dood moeiteloos een vooroordeel uit de wereld.

Daarmee is ook meteen zijn belangrijkste drijfveer genoemd: het meedogenloos bestrijden van vooroordelen. Onder de titel Prejudices bundelde hij tussen 1919 en 1927 zes dikke delen essays. Maar hoe is Menckens gevecht tegen kwezelarij en schijnheiligheid te rijmen met de racist, antisemiet en antidemocraat die hij ook was? Terry Teachout geeft het antwoord door Mencken in zijn nieuwe biografie, The Skeptic, stevig neer te planten in zijn omgeving, Baltimore, en zijn glorietijd, de periode na de Eerste Wereldoorlog.

Ook al is Mencken buiten de Verenigde Staten vrijwel onbekend (Alistair Cooke's bloemlezing in pocketvorm The Vintage Mencken is hier al jaren uitverkocht), hij heeft als columnist, criticus en uitgever van literaire tijdschriften een moeilijk te overschatten invloed uitgeoefend op het Amerikaanse publieke debat en literaire klimaat van de jaren twintig van de vorige eeuw.

Behalve met negentien boeken, duizenden essays en drie delen autobiografie is er een flink boekenplankje te vullen met herinneringen aan en levensbeschrijvingen van Mencken. De meeste dateren van vóór de publicatie van de verzamelingen persoonlijke documenten die hij tot dertig of veertig jaar na zijn dood in 1956 had laten verzegelen. Teachouts biografie is de eerste waarin dit materiaal – notities, dagboeken en brieven vol venijnige aanvallen op vrienden en collega's – is verwerkt.

De biograaf is niet bezweken voor de verleiding de overvloed aan documentatie te reproduceren. Hij beperkt zich tot de voornaamste levensfeiten en opvattingen van zijn personage, een eigengereide, geestige vijand van de christelijke moraal, die de `gewone man' even hartgrondig haatte als politici – in zijn ogen hoe dan ook zwendelaars en dwazen. `Permanent in de oppositie, altijd zijn eigen partij' – het is Menckens rol van de eeuwige scepticus die volgens Teachout diens betekenis uitmaakt. Zoals de New York Times schreef: `Iedere tijd verdient zijn eigen Mencken'.

Henry Mencken was de zoon van een tabaksfabrikant van Duitse afkomst. Nog net in de negentiende eeuw debuteerde hij als politieverslaggever en hij is zijn leven lang verbonden gebleven met de Baltimore Sun. Wat meer zegt: hij is altijd de verslaggeverij als hoogste roeping en grootste pret blijven beschouwen. Zijn succes als literaire goeroe heeft daarmee te maken. Mencken gebruikte rauwe, journalistieke, en geen omzwachtelde academische taal, ook in zijn boeken, ook in de door hem opgerichte tijdschriften The Smart Set en The American Mercury. Daarin introduceerde hij nieuwe schrijvers, zoals Theodore Dreiser, bij het lezende publiek.

In krant en tijdschrift trok Mencken van leer tegen het uit de negentiende eeuw overgeleverde puritanisme met zijn misselijke huichelachtigheden, idiote godsdienstijver, morele obsessies, gezever en gezwatel, bekrompen fatsoen, zalvende gepreek, kwezelachtige preutsheid. Het begrip `Bible Belt' is door hem uitgevonden. Geliefkoosde onderwerpen van zijn snauwende sarcasme waren de drooglegging en het in sommige staten uitgevaardigde verbod op het onderwijzen van de evolutieleer. Amerika noemde hij Moronia, het land van de morons (zwakzinnigen, zultkoppen).

Het hoogste gebod voor schrijvers luidde volgens Mencken: Gij zult niet preken. Hoeveel romanschrijvers zijn er niet begonnen als kunstenaars om te eindigen als krankzinnige mullahs? Tegelijk bleef Mencken de gezeten burgerman, die vooral diep overtuigd was van zichzelf en van zijn literaire smaak, en die honderd procent was gevormd door Huckleberry Finn. Noch voor het Europese modernisme, noch voor bijvoorbeeld jazz legde hij enige belangstelling aan de dag.

Teachout maakt aannemelijk dat Menckens politieke ideeën waren gebaseerd op Nietzsche die hij als eerste in de Verenigde Staten onder de aandacht bracht, maar dan wel als een Amerikaanse Nietzsche, een all-American hero, bezield door daadkracht en `gezond verstand'. Elke regering, betoogde Mencken, is gericht op onderdrukking van de `Uebermensch'. Alle politici zijn hielenlikkers, zij `kennen de smaak van schoensmeer'. Menselijke vooruitgang is het product van zuivere wilskracht. Ongelijkheid is wenselijk, omwille van de ongelijkheid zelf, maar ook als alternatief voor de heerschappij van het plebs.

Mencken was, om kort te gaan, in hart en nieren antidemocraat, isolationist, pro-Duits (reden waarom hem tijdens beide wereldoorlogen in feite het zwijgen werd opgelegd) en overtuigd aanhanger van eugenetica en rassenleer. Hij vond de nazi's weliswaar brute imbecielen, maar geloofde dat het blanke ras nu eenmaal superieur is aan het zwarte en dat joden de onplezierigste soort aller tijden zijn. In zijn denkwereld heeft de holocaust nooit bestaan. Eerdere biografen hebben Menckens antisemitisme nog willen verontschuldigen of er de scherpe kantjes af willen halen. Teachout neemt echter, met de lang geheim gebleven dagboeken voor ogen, alle twijfel weg. Als politiek denker verdient Mencken het dan ook geen moment serieus te worden genomen.

Dat gebeurde trouwens sinds midden jaren dertig al nauwelijks meer. Het puritanisme was op de terugtocht. De depressie en Roosevelts antwoord daarop, de New Deal, maakte ruimte voor een meer collectivistische stemming dan de hyperindividualistische Mencken kon verdragen. Toen Roosevelt stierf nam hij tevreden en hatelijk afscheid van `de eerste Amerikaan die doordrong in de werkelijke diepten van vulgaire stupiditeit'.

Maar toen luisterde allang niemand meer naar Mencken. Dat was in de jaren twintig wel anders geweest. Toen werd hij vereerd als `de machtigste persoonlijke invloed op een hele generatie ontwikkelde mensen' (Walter Lipmann). `Als Mencken praatte', heette het, `dan luisterde iedereen'. Hij werd vergeleken met Rabelais, Swift, Shaw, hij gold als de Amerikaanse Samuel Johnson.

Daar is allemaal weinig van overgebleven. Mencken wordt nog wel bewonderd om zijn satirische gaven en om zijn bijdrage, in vele boekdelen, aan de beschrijving van de Amerikaanse taal, te onderscheiden van het Engels. Maar zijn obsolete denkbeelden vinden zelfs in de meest conservatieve kringen in de VS geen weerklank meer, al was het maar wegens zijn antigodsdienstigheid. Wel blijft hij iemand om nieuwsgierig naar te zijn, zoals men nieuwsgierig is naar de dodo. En schrijven kon-ie.

Terry Teachout: The Skeptic. A life of H.L. Mencken. HarperCollins, 410 blz. €41,50