Water en wind maken hel van ijsmarathon

MAASLAND, 6 JAN. Marathonschaatsers zijn in hun eeuwige gevecht met de elementen toch wel wat gewend. Extreme vrieskoude in Finland, regen en wind op de Nederlandse kunstijsbanen of, wie er een heeft meegemaakt, het slopende traject van de Elfstedentocht. Dat is werk voor mannetjesputters, veelal van het platteland en de gestampte pot.

Ondanks de vier graden dooi en het toch tamelijk harde ijs waren de deelnemers van het Nederlands kampioenschap in Maasland het er gisteren over eens dat dit een van de zwaarste tochten is geweest uit hun schaatsloopbaan. Dat de striemende regen, opgejaagd door een stevige zuidwester, hun lichamen geselde, daar viel nog mee te leven. Maar de valpartijen in een laag water die was gestegen tot op enkelhoogte, werden zelfs de meest doorgewinterde rijders fataal.

Het ijskoude water had een verlammende werking op spieren en gewrichten. Die strijd was niet te winnen. Slechts 15 van de 91 deelnemers reden de tocht uit. Favorieten als Evert van Benthem, Piet Kleine, Richard van Kempen en Lammert Huitema keerden het waterballet in een vroeg stadium de rug toe. In de omkleedruimte zagen zij enkele uren later op de tv dat Erik Hulzebosch werd gekroond tot nationaal kampioen. De beul van Gramsbergen (Overijssel) was op de weggespoelde streep Jan-Eise Kromkamp enkele centimeters voorgebleven.

Kromkamp, een politierechercheur uit Oldeholtpade, die veel baanbrekend werk verzette bij het achterhalen van de vroege vluchters Edward Hagen, Miel Rozendaal en Arnold Stam, overdreef niet toen hij in een eerste reactie opmerkte dat deze titelstrijd weinig met schaatsen te maken had gehad. Het was hem goed van pas gekomen dat hij in de zomer aan skeelerwedstrijden deelneemt.

Dat gold trouwens ook voor Hulzebosch die in deze discipline zelfs de officieuze wereldkampioen mag worden genoemd. Dries van Wijhe heeft ooit eens beweerd dat hij het skeeleren als het ultieme lijden beschouwt. Op de kleine wieltjes is een korte, krachtige slag een vereiste. Daar hadden Kromkamp en Hulzebosch gisteren baat bij, want veel klappen maken in de breedte was de enige methode om de scheuren in het ijs te ontwijken. Concentratie alleen bleek onvoldoende. Velen trokken vergelijkingen met een cyclocross-wedstrijd of de wielerklassieker Parijs-Roubaix, die over de onbegaanbaarste kasseienpaden van Noord-Frankrijk voert.

De honderd kilometer op natuurijs met start en finish op de Maassluisse Trekvaart werd dan ook al snel omgedoopt tot de Hel van Maasland. Het gebeuren, waar de NOS een vermogen in heeft gestoken om het te registreren en een cameraploeg bijna door het ijs zakte, was nogal knullig georganiseerd. Aan de streep werd lange tijd gestunteld met het finishdoek dat uiteindelijk maar net op tijd werd gehesen. De deelnemers konden niet douchen. Ze moesten zich omkleden in de slecht verwarmde hal van een kistenfabriek. Daar duurde het minuten voordat ze, trillend als een espeblad, enigszins op temperatuur kwamen. Arnold Stam, een van de vluchters van het eerste uur, was in het rijke bezit van een massagetafel. Zijn verzorger bedekte hem met handdoeken en jassen, maar hij bleef klappertanden.

Na twintig minuten was hij nog niet in staat zijn als door een constante stroomstoot getroffen arm door een afgesloten horlogebandje te krijgen. Een dikke laag uierzalf op de bewegende delen, knieën en het hoofd had niets geholpen. De zeemlerenlap onder het schaatspak evenmin. Want als die eenmaal nat is, wordt-ie niet meer droog. Alleen een duikerspak was afdoende geweest. “Dit is toch niet de folklore waar heel Nederland van droomt”, stamelde Stam. “Ik had goede benen vandaag, maar na vijf, zes keer te zijn gevallen dacht ik: 'waar ben ik mee bezig'. Niet de vorm, maar wie het beste tegen de kou kon was op dit kampioenschap doorslaggevend.”

Dat moet dan Erik Hulzebosch zijn geweest. Na honderd kilometer had hij nog kracht om er een eindsprint uit te persen. Hoewel hij op de laatste centimeters bijna werd gepasseerd door Kromkamp die zich uit een verslagen positie terugvocht. Hulzebosch was echter ook tot op het bot verkleumd. Schreeuwde om een warme douche, die er dus niet was. “Oh, moe ik haeb nooit geweten dat het so kold op de wereld kan zijn”, klaagde hij. In de laatste ronde was hij in een penibele situatie terecht gekomen. “Ik most pissen. Ik riep tegen Jan-Eise:' Je wacht toch wel effe, hè?' Dat zou hij doen. Maar ik vertrouwde het niet. Ik hing 'm eruut over de rand, klaar om 'm er snel weer in te stoppen als hij zou demarreren.”

Na de uitkomst van de fotofinish plenkte Hulzebosch een traantje. Of er al niet genoeg vocht uit de hemel was gekomen. “Als ik die sprint had verloren, zou ik een week ziek zijn geweest. Dat ik in 1990 op de Plansee in Oostenrijk al eens de titel heb gewonnen zegt me nu helemaal niets meer. Dat was immers in het buitenland.”

Jan-Eise Kromkamp verdiende meer dan een roemloze tweede plek. Hij was als enige niet gevallen. Hij had het nodige werk verzet om uit de greep van een groepje achtervolgers te blijven. Medekoploper Hulzebosch, een rappere sprinter, was echter een blok aan zijn been. Kromkamp: “Ik heb twee keer tegen de wind in geprobeerd weg te komen, maar dat was eigenlijk tegen beter weten in. Ik ken Erik. Je komt elkaar misschien wel vijftig keer per seizoen tegen. Met elke demarrage maak je hem alleen maar sterker.”

De bijna 38-jarige Kromkamp is in het dagelijks leven rechercheur en lid van het recherchebijstandsteam Friesland. Hoewel de werkdruk van de politie tegenwoordig toch behoorlijk is, vindt hij nog genoeg tijd om te trainen. “Ik maak wel eens wat overuren om het een en ander te compenseren”, legt hij uit. “Aan de voorbereiding op deze race heeft het niet gelegen. Ik heb de natuurijswedstrijden gemeden en alleen kilometers gemaakt in Giethoorn en op het Tjeukemeer. Ik sukkel al vanaf het begin van het seizoen met mijn rug. Het was beter geworden, maar vorige week in Heerenveen kreeg ik weer last na een valpartij. Ik kon geen bochten meer maken, omdat ik mijn linkerbeen niet meer onder mijn lichaam doorkreeg. Maar vandaag was het gelukkig een kwestie van rechtuit schaatsen.”

    • Erik Oudshoorn