Oude vragen in designjasjes

Eigenlijk heeft het design allang gewonnen. Design is cool. Kunst is traag, saai, navelstaarderig. De tentoonstelling `Reality Machines' wil de grenzen tussen die twee uitwissen.

Er hangen allerlei spullen in de lucht in de grote zaal van het Nederlands Architectuurinstituut. Opgehangen aan onzichtbare draden aan een rail die bevestigd is aan het plafond, bewegen ze langzaam, nauwelijks waarneembaaar, rond. Gestaag schuiven ze voort: een sportschoen, een tafel met twee banken, een lamp, een vaas, boeken, tijdschriften, kleurenfoto's van architectuurprojecten, een witte blouse, een leren jasje. Het is een carrousel van hedendaags design. Alleen om naar te kijken, aanraken is ten strengste verboden. De ruim honderd objecten en foto's van jonge industriële en grafische ontwerpers, fotografen, modeontwerpers en architecten geven een beeld van het Nederlandse design sinds ongeveer 1995.

Al rondlopend voel ik me een spion van het vijandelijke kamp. Het kamp van de beeldende kunst. Checking out the competition. Voor wie het nog niet wist: de Nederlandse mode, design en architectuur zijn de grote winnaars in een hevige strijd die sinds een jaar of tien woedt tussen de verschillende artistieke disciplines. De beeldende kunst is door en door geïnfiltreerd geraakt door de toegepaste kunst. De toegepaste kunst heeft methoden en attitudes van de beeldende kunst overgenomen en is er nu niet meer van te onderscheiden. Zeggen de pleitbezorgers van de grensvervaging. De designers hebben er genoeg van zich dienstbaar op te stellen en functionele objecten te ontwerpen. Ze ontwerpen nu, net als kunstenaars, `autonome objecten' met diepere betekenislagen. Al kunnen de voorwerpen nog steeds gebruikt worden.

De musea, met name Museum Boijmans in Rotterdam, het Centraal Museum in Utrecht en het Groninger Museum, zijn er als de kippen bij om door tentoonstellingen te verduidelijken dat de grenzen tussen de disciplines zijn vervaagd en dat de echte avant-garde bestaat uit ontwerpers. Deze ontwerpers vieren grote successen op internationale beurzen, modeshows, en in toonaangevende, trendy tijdschriften over de hele wereld.

Design, niet alleen het Nederlandse design maar het design in de hele westerse wereld, is alomaanwezig en oppermachtig. Styling bepaalt het beeld van onze wereld. De vormgevers weten wat er komen gaat, hoe we het komend seizoen onze huizen willen inrichten, wat we willen dragen. Zij zijn ware virtuozen in het bespelen van de markt, ze voelen zich als een vis in het water van de consumptiemaatschappij. En de kunst? De kunst is traag, saai, navelstaarderig. Gewoon een beetje sneu. In de vloedgolven van de digitale beeldcultuur is zij de verdrinkingsdood nabij. Beeldende kunstenaars hebben het helemaal aan zichzelf te danken. Ze blijven maar bezig met hun kritisch onderzoek naar de kunst en de wereld. Niet cool. Ze zijn ook dom omdat ze doorgaans niet rijk worden van hun werk. Kunstenaars weten hun producten niet aan de man te brengen. Sterker nog, ze hébben vaak helemaal geen verkoopbaar product. Een tijdelijk project, een site specific installatie, dat zet geen zoden aan de dijk. En geen geld verdienen is in onze maatschappij wel het duidelijkste bewijs van falen.

Succesverhaal

Het succesverhaal van de jonge Nederlandse ontwerpers begint in 1993. Kunsthistoricus Renny Ramakers en ontwerper Gijs Bakker, hoofddocent aan de Akademie voor Industriële Vormgeving in Eindhoven, toonden in dat jaar onder de noemer `Droog Design' een selectie van Nederlandse vormgeving op de Salone Internazionale del Mobile in Milaan. Er kwamen juichende reacties. De Franse krant Libération schreef dat de erepalm voor een spiritueel savoir-vivre toekwam aan de onbekende Hollandse groep Droog Design. In 1994 richtten Ramakers en Bakker de Stichting Droog Design op, met als doel de promotie van Nederlandse vormgeving. Volgens de statuten selecteert de stichting ,,uit het steeds wisselende aanbod van nieuwe produktie-ideeën datgene wat kwalitatief en inhoudelijk aansluit bij het beeld en de mentaliteit die Droog Design uitdraagt: originele ideeën, heldere concepten die op een droge nuchtere wijze zijn vormgegeven.''

`Droog' zijn ontwerpen die sober zijn, en teruggebracht tot basis van het object. Het gaat vaak om een ironisch en humoristisch hergebruik van bestaande voorwerpen. Droog Design is voortgekomen uit onvrede over de dolgedraaide consumptiemaatschappij, en uit een behoefte aan versobering. Beroemd is bijvoorbeeld de ladenkast van Tejo Remy, een opgestapelde bundeling van oude laden bijeengehouden door een stevige band. Veel van de objecten in het NAi zijn van de hand van Droog Design-ontwerpers. Er zijn prachtige ontwerpen bij. Zoals de Soft Urn van Hella Jongerius, een zachte rubberen vaas in transparante kleuren als van middeleeuws glas. Of de Douchepijp van Marcel Wanders, een fraai gebogen roestvrijstalen douchepijp in de meest letterlijke zin van het woord. Of de lampenkap van dubbelzijdig spiegelfolie van Jurgen Bey, waar, wanneer het licht aangaat, een oude schemerlamp in verborgen blijkt te zitten.

Er wordt in teksten over het Nederlandse design verwezen naar Hollandse soberheid, naar calvinisme en de hang naar ironie. Deze generatie ontwerpers zou beïnvloed zijn door VPRO-televisie, door Koot en Bie en Jiskefet, en door de televisieprogramma's van Wim T. Schippers. Er wordt een draai gegeven aan de alledaagse werkelijkheid zodat die een andere lading krijgt. Zo bestaan de drie strepen op de Adidas-schoen van Saskia van Drimmelen uit het reliëf van de naden van de binnenstebuiten aan elkaar genaaide schoen. Oscar Suleyman ontwierp mooie zwarte jurken waarbij de `lege' restruimte tussen arm en lichaam met witte stof is opgevuld en als lichtschaduw-werking deel uitmaakt van de jurk. Modefotografen Anuschka Blommers en Niels Schumm laten familie en vrienden poseren in hun eigen keuken of woonkamer als fotomodel. Grafisch ontwerpers Nikki Gonnissen en Thomas Widdershoven maakten voor een fotoreportage voor het boek dat zij produceerden over Droog Design een opstelling van de ontwerpen in hun eigen interieur, terwijl het huiselijk leven van de twee ontwerpers zijn normale gang gaat.

Wat betreft de architectuur wordt in teksten verwezen naar de internationale uitstraling van het Rotterdamse ontwerpbureau van Rem Koolhaas. In de architectuur is vaak eenzelfde soort twist van het alledaagse te zien, en dezelfde neiging tot versobering. Zoals de 46 elegante, eenvoudige en zeer efficiënte bruggen, allemaal verschillend, die Maxwan bouwde voor de grootste Vinex-locatie van Nederland in Leidsche Rijn. En het appartementengebouw van NL Architects, dat als grondplan een eenvoudig raster heeft maar dat schuin wordt doorsneden door een curve en dat een gewelfd dak heeft, zodat een grote variëteit aan woningen ontstaat.

De soberheid en nuchterheid van het Nederlandse ontwerp staat haaks op het zwaarwichtige verhaal dat eraan opgehangen wordt. Het is kennelijk niet genoeg dat er goed ontworpen wordt: de ontwerpen moeten een diepere, grotere, een alomvattende betekenis krijgen. Het zijn Reality Machines, die een hele nieuwe werkelijkheid genereren. Deze ontwerpen laten zien `dat alles in ons leven kunstmatig tot stand is gekomen' (persbericht). Niets in onze hedendaagse wereld, zo wordt betoogd, is nog `echt', want alles is `gemediatiseerd', alles komt tot ons via media en design. Dit is het verhaal van de totale overwinning van de beeldcultuur. Die beeldcultuur is dusdanig overheersend aanwezig dat de echte werkelijkheid erin verdwenen is. De design- en architectuurprofeten en de goeroe's van de digitale media zijn hier in catalogi en tijdschriften zeer stellig over.

Charmant

Zo schrijft Aaron Betsky, directeur van het NAi, in de catalogus: ,,De essentie van de moderniteit ligt hierin dat we alles wat we ons kunnen voorstellen ook kunnen verwerkelijken en het werkelijke zo intens en flexibel kunnen maken dat het weergeeft wat we ons voorstellen. (...) Wat echt werkelijk is, wat bezielt en ons aardt, trekt zich terug in de onzichtbare electrische stromen of uitgezonden golven diep in het binnenste van de machines die onze werkelijkheid vormen.'' Dit klinkt charmant speculatief en heel filosofisch, maar is nauwelijks serieus te nemen. En hoe dan ook, de ontwerpen zoals ze te zien zijn in het NAi zijn te onschuldig, te lichtvoetig, pragmatisch, te kinderlijk om een dergelijk diepgaande verandering in de waarneming van de werkelijkheid te bewerkstelligen.

Een gevoel van `vervreemding', een begrip dat steeds opduikt bij de tentoonstelling Reality Machines, ontstaat pas wanneer je deze ontwerpen zóveel betekenis toekent dat hun buitenkant tot inhoud verheven wordt. Maar hoe je het ook wendt of keert, het gaat bij vormgeving in de eerste plaats om marketing en economie. Vormgeving is de verpakking van een functie. Een zachte rubberen vaas is nog steeds een vaas. En wanneer je het over verpakking hebt, heb je het over smaak, en als je het over smaak hebt, heb je het over een consumerend publiek als doelgroep. En dit is precies waar zich een waterscheiding aftekent tussen design en de beeldende kunst.

Het is niet en vogue om dit onderscheid te maken. Guus Beumer, designkenner, filosoof, tentoonstellingsmaker en zakenpartner van modeontwerper Alexander van der Slobbe, zegt in het laatste nummer van Metropolis M dat het verschil tussen kunst en vormgeving regressief is. Het is niet zo gek dat hij dit vindt, want hij blijkt niet te begrijpen wat kunstenaars bezielt: ,,Ze zijn gek, die kunstenaars! De hele wereld snakt naar aura, iedereen verlangt voor zijn werk die hoogst mogelijke status, terwijl kunstenaars juist die aura alsmaar ter discussie stellen. Designers zijn opportunistisch genoeg om ieder platform en ieder middel aan te grijpen om hun werk in de schijnwerpers te zetten, dus ook de podia die vroeger exclusief waren voorbehouden aan de kunst.''

Designers zijn kennelijk iets opportunistischer dan kunstenaars. Daarom concentreert de discussie rond de vormgeving, ingegeven door de impuls om aan de vormgeving een hogere status te verlenen, zich nu op vragen die typisch behoren tot het domein van de kunst, namelijk vragen naar de waarneming van de werkelijkheid. Zoals het onderscheid tussen `echt' en `onecht'. Kunstenaars hebben zich deze vragen altijd gesteld. Neem Het Gezicht op Delft van Vermeer. Het sprankelende licht in dit schilderij, de ordening van vlakken en kleuren, de onbegrijpelijke intensiteit van kleur en van licht en schaduw, heeft Vermeer dit alles daarbuiten gezien en vervolgens geschilderd? Of zie ik dat licht nu daarbuiten omdat ik het eerst bij Vermeer heb gezien? ,,Je weet nooit wat wat voortbrengt: een ervaring een taal, of een taal een ervaring'', schrijft Joseph Brodsky in Watermark (1992), een verzameling impressies van Venetië. Waarbij `taal' kan worden vervangen door `beeld'.

Crossovers

Oude vragen waar kunstenaars zich al eeuwen lang mee bezig houden. Net zoals het verschijnsel van crossovers, van grenzen overschrijden naar andere disciplines, in de beeldende kunst ook al oud is – zij het niet zo oud als de schilderkunst van Vermeer. De voorbeelden liggen voor het grijpen. Popkunstenaar Claes Oldenburg maakt architectuur, Franz West en Richard Artschwager maken sculpturen die meubels parafraseren, Reinhard Mucha gebruikt meubels om sculpturen te maken. Deze beeldhouwers stellen de status van het object in ruimtelijke zin aan de orde, wat iets anders is dan kunstmeubels vervaardigen. Ook wat mode en `kledingcodes' betreft zijn de voorbeelden talrijk: Joseph Beuys met survival-jack en vilten hoed, de tovenaar James Lee Byars, in goud, of zwart of wit gekleed met hoed en zijn gezicht omsluierd, Gilbert & George in hun ouderwetse, Britse, wollen, op maat gesneden responsibility suits. Jeff Koons, Joep van Lieshout, John Körmeling, de lijst is onafzienbaar.

Waarom doen kunstenaars dit? Niet omdat er vraag naar is. De kunstenaar creëert zijn eigen context, zijn eigen aanbod, en de dieper liggende reden daarvoor ligt alleen bij hem. Smaak, de voorkeur van een publiek, deze dingen zijn voor de kunst irrelevant. De voorwaarden waaronder een kunstwerk communiceert met het publiek zijn door de kunstenaar bepaald. Een ten diepste kritische houding ten opzichte van de maatschappij is voor de kunst veel belangrijker dan de hoogst mogelijke status of aura van het kunstwerk. Deze kritische houding onderscheidt de kunstenaar en zijn werk in de maatschappij. Daarom is voor kunstenaars één ding het allerbelangrijkste: dat ze kunnen blijven functioneren in de samenleving.

Reality Machines, Het alledaagse weerspiegeld in hedendaagse Nederlandse architectuur, fotografie en vormgeving. In het Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark 25, Rotterdam. T/m 21 april. Di-za 10-17u, zo 11-17u.