Modekoning in de Oost

Gerrit Clinck was een volleerd schilder, had zelfs een reis naar Italië gemaakt, woonde in een pand in de Kalverstraat en verkeerde in kringen van succesvolle collega's als Ruysdael en Aert van der Neer. Toch gingen de zaken niet goed. In de jaren zeventig van de zeventiende eeuw begon een periode van conjuncturele achteruitgang en nam de vraag naar schilderijen af. Clinck schakelde over naar een ander vak: dat van textielhandelaar. Hij was daarin zo succesvol dat hij door de VOC werd verzocht om als koopman naar Azië te gaan.

De VOC had al enige tijd de lucratieve handel in geschilderde katoenen stoffen (sitsen) ontdekt en er in Europa een markt voor gecreëerd. De vraag nam zo snel toe en de concurrentie van de Engelse East India Company werd zo hevig dat de directeuren alle zeilen moesten bijzetten om marktaandeel te behouden. Er bestond een reusachtige variëteit aan katoenen en ook zijden stoffen, met exotische namen als salempoeris, gingans, doeriassen, mallemollen, atlassen en hamans. Het kieskeurige Europese publiek eiste de nieuwste modes en de Compagnie was er alles aan gelegen daaraan te voldoen. De directeuren in Nederland moesten lang van tevoren bepalen hoeveel en in welke kwaliteit en voor welke prijs ze die stoffen wilden hebben. De ene keer gestreept, dan weer met ruiten, met slingerende patronen of met bloemmotieven. Maar tussen het moment van bestellen en het tijdstip van aankomst lagen jaren en het zou sneller gaan wanneer men ter plekke een bekwame patroonontwerper zou hebben. Hier komt Gerrit Clinck in beeld. Hij was bij uitstek een man die kon optreden als koopman en als dessinontwerper. En zo vertrok hij in 1685 met achterlating van zijn gezin naar de Oost.

Clinck diende enkele jaren in Bengalen en in dit boek wordt duidelijk welke problemen hij daar allemaal ondervond: wevers en ververs die geen zin hadden in nieuwe ontwerpen, de strijd tegen ondeugdelijke grondstoffen, het controleren van de werkelijke arbeidsdtijd, het keuren van de eindproducten, het onderhandelen met tussenhandelaren, het ontwikkelen van nieuwe verpakkingstechnieken en niet te vergeten het gekuip en getraineer van andere VOC-dienaren. Clinck schijnt zijn werk goed te hebben gedaan. Na drie jaar keerde hij terug, verbleef een jaar in Amsterdam en werd toen opnieuw, nu in een hogere rang en met zijn vrouw en vijf kinderen, uitgezonden. Hij werkte nog vier jaar in Bengalen en stierf in 1693 `na een langdurige siekte van coors, en bloedgangh'.

Hoewel er geen enkel persoonlijk document van de familie Clinck bewaard is gebleven, heeft Heleen van der Weel door minutieus archiefonderzoek Clincks hele carrière in kaart weten te brengen. Men krijgt hierdoor een voortreffelijk inzicht in de commerciële en logistieke problemen waarvoor de VOC zich zag geplaatst bij het verwerven van een van haar belangrijkste producten. Bovendien is dit boek ook een interessante familiegeschiedenis. Clincks vrouw Magdalena wist zich met succes staande te houden in Batavia. Zelfs haar inboedel is in de archieven in Jakarta boven water gehaald. Daaruit blijkt de grote weelde waarin zij leefde. Zo bezat ze minstens veertig schilderijen, waaronder een Ruysdael en een Rembrandt.

Heleen B. van der Weel: `In de kunst en wetenschap gebruyckt'. Gerrit Claeszoon Clinck (1645-1693), meester kunstschilder van Delft en koopman in dienst van de Verenigde Oostindische Compagnie. Verloren 224 blz. €19,–