Militant door het voetballen

Moslimextremisten worden niet geboren, ze raken geïnteresseerd in het radicaal-islamitische gedachtegoed of worden daarvoor gewonnen. Maar hoe voltrekt zich dat religieus-politieke bekeringsproces nu? En hoe gaat men vervolgens in zo'n gezelschap met elkaar om?

Daarvan zijn nauwelijks publieke getuigenissen. Als moslimextremisten geslaagd zelfmoordterrorist worden, juicht de familie dat toe als goddelijke vanzelfsprekendheid of ontkent zij er ook maar iets van te begrijpen: hun zoon (dochters komen nauwelijks voor in het extremistisch milieu) had toch een vriendin of gezin, of ging nooit naar de moskee? Diegenen die worden opgepakt, worden voor de rechtbank doorgaans meer naar hun terroristische activiteit en geheime brievenbussen gevraagd dan naar hun motieven of zielenroerselen. Slechts mondjesmaat komen langs deze weg hun twijfels en zekerheden naar buiten. In de krant worden meestal hun complotten, geldstromen en internationale contacten uit de doeken gedaan. Niet hoe ze zich op school voelden, hun vriendschappen en verliefdheden en de andere alledaagsheden van het bestaan. Ze komen niet tot leven.

In die lacune voorziet Khaled al-Berry. Berry, nu journalist, maakte van 1986 tot 1991 deel uit van de Egyptische radicaal-fundamentalistische groep Jama'a al-Islamiya, bekend van gewelddadige aanslagen tegen Egyptische koptische christenen, hoogwaardigheidsbekleders, intellectuelen, politie en westerse toeristen (de 58 doden te Luxor in 1997). De Jama'a wordt, voor zover ze nu nog bestaat, geïnspireerd door de radicale denker Sayyed Qutb, die in de jaren zestig in Nassers gevangenissen tot de slotsom kwam dat gewapende strijd noodzakelijk was om elk regime ten val te brengen dat niet regeert conform wat God had geopenbaard. Zijn bekendste werk Mijlpalen. Fasen van het islamitisch bewustzijn (Rabbani Press) was van grote invloed op het radicale islamisme dat als kleine voorhoede wil vechten voor de ware islamitische samenleving. De organisatie was in de jaren zeventig en tachtig zeer populair bij de Egyptische jeugd. Haar bolwerken waren de universiteiten en arme wijken van de grote steden, vooral in het zuiden van Egypte.

Godslasterlijk

Maar het Egyptische regime, dat in Qutbs termen als volstrekt hypocriet, ja zelfs als godslasterlijk geldt en moet worden bestreden, sloeg even hard terug met bloedige botsingen, massa-arrestaties en talloze executies (en een stille islamisering van de maatschappij als gebaar van goede wil). De genadeloze repressie van de staat en de gelijkhebberigheid die alle extremisten kenmerkt, leidden uiteindelijk tot interne verdeeldheid bij de Jama'a en tot een eenzijdige wapenstilstand van een deel van het leiderschap in 1998. Activisten die deze lijn verwierpen, vluchtten naar Afghanistan en sloten zich aan bij Osama bin Ladens terreurnetwerk Al-Qaeda of kleine, gelijkgezinde groepen. In Egypte is het de laatste jaren tamelijk rustig.

Khaled al-Berry heeft het nooit tot terrorist gebracht, dat was het terrein van de illegale, jihadistische vleugel van de Jama'a, die naast de tot 1991 legale politieke organisatie bestond en waarvoor hij niet werd geselecteerd. Maar extremist was hij, en al snel een prominente. Van zijn leven als zodanig heeft hij in zijn herinneringen De aarde is mooier dan het paradijs openhartig verslag gedaan, inclusief alle kneuterige voorschriften – wel baard, geen snor en met drie vingers eten – jaloersigheid, seksuele frustraties, onverdraagzaamheid en schijnheiligheid vandien.

Nette jongen

Hoe kwam een nette jongen als Khaled al-Berry (en andere nette jongens) bij de Jama'a? Gewoon, op straat, bij het voetbal, waar hij in discussies met buurtbewoners verzeild raakte die de `broeders' bejubelden. Hij was 14 jaar oud en beïnvloedbaar. Het waren niet te vergeten ook hoogtijdagen van de fundamentalisten en hun gewapende collega's. Een heel belangrijke factor waar hijzelf terecht op wijst, was wat hij noemt het `aangeboren respect' in een traditionele samenleving als de Egyptische voor kennis, zowel wereldlijke als religieuze. `In onze cultuur werd nadenken niet beschouwd als de hoogste kwaliteit van de mens, en evenmin werd het kritisch vermogen gezien als een van zijn buitengewone deugden', schrijft hij. Khaled al-Berry gebruikt de verleden tijd, maar zijn opmerking geldt onverminderd: gebrek aan kritisch vermogen, aangemoedigd door regimes die op de oude leest willen voortsudderen, is een van de grootste problemen van de hele Arabische regio.

Zo werd hijzelf de Jama'a in-geïmponeerd door broeders `die waren gewapend met het juiste woord', en imponeerde hij weer nieuwe volgelingen nadat hij zich voldoende religieuze kennis had eigen gemaakt. Hij kon immers goed uit het hoofd leren. Wat dit betreft is het fascinerend te zien hoe wat in feite een stelletje blaaskaken was, zijn normen oplegde in buurten, scholen en universiteiten. `Wij domineerden iedereen met ons geloof', schrijft hij. En iedereen liet zich graag domineren. Zelf gaf hij de muziek op waarvan hij hield. Maar vervolgens bepaalde en bewerkstelligde hij weer dat moslimmeisjes niet meer op straat mochten voetballen, en zo dwong hij later, slechts gewapend met het zich toegeëigend goddelijk gelijk en de baard die dat weerspiegelde, op de universiteit mannelijke studenten zich verre te houden van de vrouwelijke. Er kwam nauwelijks verzet.

Al-Berry ging na een paar jaar twijfelen aan de Jama'a, met name toen hem bleek dat ook in deze `engelengemeenschap' homoseksualiteit voorkwam, wat in deze kringen uit den boze is. Het was voor hem het einde van het ideaal van heiligheid. In de gevangenis, waar hij in 1991 tijdens een grootscheeps regeringsoffensief kortstondig belandde, besloot hij de Jama'a te verlaten. De aarde was hem liever dan het paradijs dat hem als broeder in het vooruitzicht werd gesteld.

Khaled al-Berry: De aarde is mooier dan het paradijs. De Arbeiderspers, 156 blz. €15,95

    • Carolien Roelants