Lieshout als fotografisch universum

Mensen met een fotografisch geheugen zullen van de hierbij afgedrukte foto denken: die ken ik! Inderdaad, zie het Cultureel Supplement van deze krant van 18 september 1998. Daarnaast sierde deze post mortem-opname de uitnodiging en catalogusomslag van `Naar het lijk', een tentoonstelling destijds in het Teylers Museum in Haarlem. Het is een prachtige opname. In een vurenhouten kistje liggen Leonard en Petrus Migchiels stijf naast elkaar. Ze zijn maar twee dagen oud geworden. Naar goed Oost-Brabants gebruik dragen ze hun doopkleed en liggen ze fraai versierd opgebaard.

Dat deze opname van Tinus Swinkels uit 1911 bewaard is gebleven, is een klein wonder. Swinkels, telg uit een bierbrouwersgeslacht (merk Bavaria), kocht als een van de eersten in de regio een houten reiscamera en ontwikkelde zich tot een chroniqueur van uiteenlopende gebeurtenissen in zijn geboorteplaats Lieshout en omgeving. Na zijn huwelijk in 1918 bleef er weinig tijd (en wellicht geld) voor de fotografie over.

Veel van zijn negatieven zijn verdwenen. Dat een klein deel toch bewaard bleef, komt omdat Swinkels in 1913 de toen vijfjarige Martien Coppens inwijdde in de fotografie. Al jong gaf Coppens aan dat hij weinig voor het priesterschap voelde en evenmin de ouderlijke klompenmakerij wilde voortzetten. Van zijn vader mocht hij zich uiteindelijk scholen in het fotovak en in 1930/1931 volgde hij zelfs lessen aan de Bayerische Staatslehranwalt für Lichtbildwesen in München.

Terug in Nederland, vestigde Coppens zich in Eindhoven als fotograaf. Hij maakte trouwreportages en portretten, maar één dag per week reserveerde hij voor eigen werk. Later, in 1942, zijn bij een bombardement veel van zijn negatieven verloren gegaan. Tot een wederopbouw van zijn portretstudio kwam het niet, omdat Martien Coppens zich als freelance-fotograaf ontwikkelde tot een van de meest productieve en invloedrijke fotografen van naoorlogs Nederland.

Een zoon van Coppens, de in 2000 overleden fotohistoricus Jan Coppens, is vermoedelijk door een portretfoto van zijn vader op het spoor gekomen van Swinkels. Er kwam een deel van diens glasplaatnegatieven boven water en dat bleek een goudmijn te zijn. Zelden is het voorgekomen dat in het begin van de twintigste eeuw in één plaats kort na elkaar twee fotografen woonden en werkten, die hun omgeving op zo'n bijzondere manier in beeld hebben gebracht.

Jan Coppens stelde in 1990 het boek Brabantse mensen samen met werk van beide fotografen, met documentatie en een inleidend essay.

Van Swinkels zijn vooral familiefoto's en portretten van springlevende, zieke en dode personen opgenomen. Het oeuvre van Coppens is ruimer en gevarieerder: ook landschappen, ambachtelijke activiteiten en de rafelranden van de plattelandssamenleving heeft hij in beeld gebracht. Het boek oversteeg de lokale geschiedschrijving en bood een overvloed aan gegevens over de dorpsbewoners: hoe ze leven en werken, hoe ze zich kleden en hoe ze willen worden afgebeeld. Dit laatste strekte zich, zoals blijkt uit de post mortem foto's, zelfs uit tot na de dood.

De eerste oplage was snel uitverkocht. Nu, twaalf jaar later, heeft uitgever Adr. Heinen een tweede, herziene en uitgebreide uitgave (met onder meer 23 onbekende foto's van Swinkels) op de markt gebracht. Deze nieuwe editie is het eerste deel van de serie Collectie Coppens, die gewijzigde heruitgaven en volledig nieuwe thematische uitgaven moet bieden. De uitgever wekt iets te hoge verwachtingen: Lieshout kent hij op de omslag van Brabantse mensen de status toe van `het Jorwerd van de fotografie'. Dat past niet bij de bescheiden wijze waarop de Swinkels en Coppens hun personages tegemoet traden.

J. Coppens, e.a.: Brabantse mensen. Een dorp in Brabant. Adr. Heinen, 220 blz. €34,50

    • Cor van der Heijden