Hij was eigenwijs

Vincent van Gogh hield van schilders die niet allemaal beroemd zijn geworden. De tentoonstelling `De keuze van Vincent' vindt dat een beetje jammer.

Het valt niet langer te ontkennen: Vincent leeft! Meer dan 110 jaar na zijn dood is Vincent van Gogh actueler dan ooit, en dan doel ik niet eens op die posters, waarop hij met zijn 150ste verjaardag wordt gefeliciteerd – toch een beetje wrang voor een schilder die op zijn 37ste zelf de dood verkoos. Nee, Vincent leeft `in de harten van de mensen' zoals Gerard Reve het zou omschrijven. Neem alleen al de publicitaire oogst van de afgelopen drie weken. Daarin werd onder andere bekend dat het Japanse veilinghuis Shinwa Art Auction een `Portret van een boerenvrouw' had `ontdekt'. Aanvankelijk werd het doek geschat op 80 euro, maar toen het inderdaad een Van Gogh bleek, werd het geveild voor 500.000. Tegelijkertijd adverteerde Het Toneel Speelt met het toneelstuk Van Gogh van Bas Heijne en liet de Nederlandse regering weten dat het twee speciale munten met de beeltenis van Van Gogh laat slaan, een zilveren van vijf euro en een gouden van tien. De Engelse toneelvoorstelling Vincent in Brixton won twee Laurence Olivier Awards. En op de koop toe meldde de Art Newspaper dat de expositie Van Gogh en Gauguin in het Amsterdamse Van Gogh Museum wereldwijd de best bezochte expositie was van het afgelopen jaar, met een gemiddelde van 6.700 bezoekers per dag, 740.000 in totaal.

Je hoeft geen genie te zijn om te zien dat datzelfde Van Gogh Museum door die belangstelling in een curieus probleem verzeild is geraakt. Als de overweldigende aandacht voor Van Gogh een orkaan is, dan is het Van Gogh Museum het oog. Het museum heeft de grootste en mooiste collectie Van Goghs ter wereld. Het beheert de fantastische verzameling brieven van de schilder en is alom gerespecteerd als dé scherprechter waar het delicate kwesties van authenticiteit en vervalsing betreft. Die status wil het museum niet kwijt, maar tegelijk dient het de honger van het publiek naar Van Gogh te stillen.

De vraag is alleen: wélke Van Gogh moet dat dan wel wezen?

De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat het Van Gogh Museum op de enige kracht is gestuit die sterker is dan zijzelf: die van de Van Gogh-mythe. Die mythe, in ruim honderd jaar gezaaid, opgekweekt en tot overweldigende bloei gekomen, heeft van Van Gogh het prototype gemaakt van de gekwelde en miskende kunstenaar die in uiterste wanhoop de handen aan zichzelf sloeg. Dat verhaal is zo krachtig, zo dwingend, dat het museum het wegens het gevaar van morrende meutes niet kán negeren. Dat publiek wil Zonnebloemen en Kraaien boven een korenveld en irissen en bloeiende perzik- en perenbomen en vanzelfsprekend dat oor – zelfs al was dat nauwelijks meer dan een lelletje.

In het Van Gogh Museum weten ze heel goed dat die mythe een karikatuur heeft gemaakt van de schilder. Natuurlijk had Van Gogh het niet makkelijk, was hij vaak ziek en kon hij vreselijk zeuren om geld. Maar tegelijk doemt er uit zijn correspondentie een intelligente, onderhoudende, ja zelfs humoristische man op, die zich jarenlang het hoofd brak over de werking van de complementaire kleuren. Die Dickens las, en Shakespeare, en Victor Hugo. Die in zijn jaren in de kunsthandel een enorm beeldenarchief in zijn hoofd opbouwde waar hij de rest van zijn leven rijkelijk uit putte, en die rond zijn 22ste een religieuze tik opliep waar hij nooit meer helemaal overheen kwam. Die Van Gogh was misschien vreemd, maar wereldvreemd zeker niet.

Musée Imaginaire

Maar ondertussen zit het Van Gogh Museum met de mythe van de worstelende mafkees opgescheept. En dat valt het museum zwaar. Hoe zwaar, is goed te zien op de tentoonstelling die het museum inrichtte ter gelegenheid van Vincents 150ste geboortedag: De keuze van Vincent, Van Goghs Musée Imaginaire. Het idee is goed: aan de hand van de vele kunstenaars die Van Gogh bewonderde, toont het museum een overzicht van zijn smaak en ontwikkeling. Daarbij doemt alleen een nogal curieus probleem op: de echte Van Gogh namelijk had een nogal eigenzinnige smaak. Natuurlijk hield hij, zoals iedere fatsoenlijke schilder, van Rembrandt en bewonderde hij generatiegenoten als Gauguin, Monet, Seurat en Signac. Maar wie de index van zijn Verzamelde Brieven naspeurt en de brieven zelf leest, ontdekt ook dat Van Gogh een groot zwak had voor schilders wier namen veel minder mooi op een reclame-abri prijken. Samen met Rembrandt waren Van Goghs favoriete schilders van voor zijn tijd François Millet en Eugène Delacroix. Maar dat waren nog sterren vergeleken bij schilders als Léon A. Lhermitte (die hij in één adem noemt met Millet), Adolphe Monticelli (een van Van Goghs inspiratiebronnen om naar het zuiden te vertrekken), William Small (`verbazend knap') en Jules Breton, door Van Gogh in zijn jonge jaren zo bewonderd dat hij vanuit zijn toenmalige woonplaats in België zeventig kilometer liep om diens huis te zien. Als hij er arriveert, durft hij er overigens niet aan te kloppen.

Gelukkig is het Van Gogh Museum wel zo netjes om deze obscure voorlopers niet helemaal onder het tapijt te schuiven. Op Small na zijn ze allemaal op De keuze van Vincent te zien, hoewel nogal sober en weggestopt. Maar toch wringt er wel wat op deze tentoonstelling. Dat komt vooral doordat de samenstellers het niet aandurven Vincents zelfbeleden smaak tot leidraad van de expositie te maken. Om dat te verdoezelen hebben ze ervoor gekozen zijn invloeden onder nogal lukraak gekozen `kopjes' in te delen. Sommige daarvan, zoals `Religie', zijn zeer terecht, al levert dat wel een vreemde mengelmoes van religieus geïnspireerde doeken op. Maar om nu het kopje `Het Rijksmuseum' te maken, naar aanleiding van één bezoek in oktober 1885, schept alleen maar verwarring. En dat, terwijl die verwarring gemakkelijk had kunnen worden voorkomen door Van Goghs smaakontwikkeling veel nadrukkelijker chronologisch te tonen – dat had in ieder geval een hele `eigen' mix van Breton, Mauve, Millet, Delacroix, Monticelli, Hiroshige, Seurat en Gauguin opgeleverd. En veel minder toeschouwers.

Gevolg van dit alles is dat De keuze van Vincent een wat vreemde klont is geworden. Enerzijds tracht het museum Van Goghs voorkeuren recht te doen, anderzijds probeert het Van Gogh te omringen door een pantheon van min of meer gelijken, waartussen het grote publiek Van Gogh graag ziet verschijnen. Helemaal onrechtvaardig is dat niet, maar daardoor blijf je als bezoeker wel achter met het narrige gevoel dat het Van Gogh Museum zelf begint te geloven in de mythe die ze omwille van hun schilder eigenlijk zouden moeten ontkrachten.

`De keuze van Vincent', t/m 15 juni. Van Gogh Museum Amsterdam, dagelijks 10-18u. Inl.020 570 52 52