Het geluk van gescheurde enkelbanden

Tennisser Richard Krajicek heeft het als jeugdspeler ontbroken aan medische begeleiding, terwijl hij tal van klachten had. Dat hij desondanks uitgroeide tot een speler van formaat schrijft hij toe aan geluk.

Richard Krajicek is ondanks de medische begeleiding een succesvol tennisser geworden. De enige Nederlandse winnaar van Wimbledon verklaarde dat gisteren in Rotterdam op het congres `Kinderen en topsport', een initiatief van de Stichting Sport en Orthopedie. Als jeugdspeler was er alleen aandacht voor zijn ontwikkeling als tennisser, niet voor zijn lichaam. ,,Ik heb geluk gehad'', zei hij voor een gehoor van vooraanstaande medici.

Door ervaring wijs geworden laat Krajick zich sinds een tiental jaren bijstaan door een team van (para)medische deskundigen, van wie hij dweept met sportarts Peter Vergouwen. ,,Die heeft mijn denken veranderd'', zei de tennisser. ,,Ik ben beter naar mijn lichaam gaan luisteren en consulteer bij pijn sneller dan vroeger een arts. Nadat ik het één keer niet had gedaan, ging het mis. Kort na een knieoperatie kreeg ik last van mijn elleboog en had ik geen zin om weer te revalideren. Ik stopte me vol met een pijnstiller, waarvan ik bijna dagelijks een dosis van 200 milligram nam, waar 150 gram wordt geadviseerd. Aangezien ik lang ben, moest dat kunnen, dacht ik. Dat heb ik acht maanden volgehouden, waarna ik tijdens het toernooi van Stuttgart uiteindelijk mijn racket niet meer kon vasthouden. En toen nog dacht ik er met een paar weken vanaf te zijn. Het werden echter twintig maanden.''

Tussen de vele medisch-technische referaten in het Expocentrum van de Erasmus Universiteit, was Krajicek, die later op de avond in Ahoy' moest tennissen, een uitzondering als vertolker van de praktijkproblemen. De sporter bleek een boeiend spreker, van wie zijn met kwinkslagen doorspekt verhaal over zijn tijd als jeugdspeler een aanklacht was tegen vooral de tennisbond, zijn coaches en de medische wereld. ,,Zo lang ik me kan heugen heb ik knieklachten'', vertelde Krajicek, die een schrijnend voorbeeld van veronachtzaming aanhaalde. ,,Ooit klaagde ik als spelertje van een jaar of tien over pijnlijke knieën op momenten van rust, als de coach aanwijzingen gaf. Zijn reactie was: `Dan stoppen we toch niet meer.' Nu zeg ik: dat was onverantwoord, omdat het waarschijnlijk symptonen van Osgood-Schlatter (een aandoening van de kniepees die kraakbeen vernielt, red). En ik denk dat mijn klachten over knieën, pezen en meniscus voor een belangrijk deel te wijten zijn aan het feit dat ik in mijn jeugd te lang met pijn heb doorgespeeld.''

Op de vraag wie daar verantwoordelijk voor was, noemde Krajicek voor een gering deel zijn ouders, in meerdere mate de tennisbond en de coaches, maar vooral de medici. Provocerend naar de zaal: ,,Want jullie hebben er verstand van, jullie hebben doorgeleerd en er waarschijnlijk een studiebeurs voor gehad. Bij jullie ligt de grootste verantwoordelijkheid.''

Zonder zich te hebben vergewist over de huidige medische begeleiding van jeugdspelers, stelde Krajicek voor trainers van een korte handleiding te voorzien, waarmee ze snel blessures kunnen herkennen om adequaat handelen. De tennisser: ,,Ik heb het gevoel dat er te weinig aandacht wordt besteed aan langetermijnplanning. Een kind dat goed is, moet maar doorspelen, ook bij klachten; in de veronderstelling dat het wel goed komt. Medici zouden bonden dwingender op hun verantwoordelijkheid van een goede begeleiding moeten wijzen, zodat jeugdspelers met klachten sneller een dokter opzoeken. En niet een fysiotherapeut, van wie ik vind dat zij te vaak een diagnose stellen. Met alle respect: dat kan beter aan een dokter worden overgelaten.''

Ondanks vijf operaties aan knieën en enkel staat Krajicek nog dagelijks op met pijn. Hij weet al twintig jaar niet beter. Hij vroeg recentelijk aan leeftijdgenoot Andre Agassi of hij ooit last had van zijn gewrichten. ,,Nooit'', antwoordde de Amerikaan. ,,Ik voel na een wedstrijd hooguit mijn spieren, verder niets.''

Zijn kritiek ten spijt neemt Krajicek niemand iets kwalijk. ,,Absoluut niet, want zo ging het indertijd nu eenmaal. In mijn jeugd heette ik bij klachten een aansteller te zijn; of ze werden weggewuifd als problemen van psychische aard. Ik heb als jong ventje ook het geluk gehad tweemaal mijn enkelbanden te hebben gescheurd. Toen was ik er een paar maanden uit. Die verplichte rust is vrijwel zeker goed voor me geweest. Nee, ik geef niemand de schuld, omdat ik uiteindelijk mijn carrière heb kunnen spelen. Ik heb weliswaar veel blessures gehad, maar ik heb ook veel gewonnen.''

    • Henk Stouwdam