Grieken tussen zin en onzin

De kust bij Aulis ten noorden van Attica drieduizend jaar geleden, een leger van een man of drieduizend wachtend op een wind die hun overtocht naar Troje mogelijk zal maken, de legerleiding in onderhandeling met zieners en priesters die moeten bepalen wie van de goden op grond van een onbekende grief de tegenwind laat duren, en een paar honderd kilometer naar het zuiden twee baadsters bij het paleis in Mycene: Iphigeneia en haar slavin Sisipyla. Dat zijn de voornaamste bestanddelen van Barry Unsworths nieuwe roman, zijn veertiende. Zelfs na enige bekroningen is deze auteur nog niet zo bekend geworden dat iedereen van hem afweet. Zijn werk zou eens uitgebreider onder de aandacht gebracht moeten worden, niet alleen boek voor boek; dan zal iedereen verbaasd staan over de veelzijdigheid van zijn verbeelding en de vrijmoedigheid van zijn stijl.

In The Songs of the Kings is hij er niet op uit om ons te imponeren met een alomvattend begrip van oud-Griekse zaken. Hij heeft zich aan de hand van oude en nieuwe literatuur een voorstelling gevormd van hoe het geweest zou kunnen zijn bij Aulis en Mycene, en een verhaal gemaakt uit een reeks doordachte schetsen over momenten en denkbeelden die hem in het bijzonder bezighielden.

Het belangrijkste van de denkbeelden is het Griekse idee van de goden. Al gelooft iedereen dat Achilles zoals hij zelf beweert de zoon is van de zeenimf Thetis, moppert een jonge officier in Mycene, te bewijzen is het niet: `how can anyone go looking for Thetis in her palace under the sea? What kind of an address is that?' Zo'n hedendaags idioom toegekend aan een Mycener helpt ons te begrijpen hoe de Grieken net als wij leefden in een gemengde denkwereld van zin en onzin, van waarheid en verzinsel.

De voornaamste religieuze kwestie in de roman is die van de wind en de maatregelen die nodig zullen zijn om de ontstemde god te verzoenen. Moeten wij Artemis aanspreken of Zeus, is de vraag voor de vergadering van Agamemnon en de andere bevelhebbers met de priesters als deskundige adviseurs. Als zij besloten hebben dat de wind van Zeus komt, overtuigt de voornaamste adviseur de vergadering dat Agamemnon zijn dochter zal moeten offeren om het goed te maken. Het kost de koning weinig nadenken om deze uitspraak te aanvaarden. Iphigeneia wordt onder een voorwendsel opgeroepen uit Mycene, en een smid krijgt opdracht om een bijzonder mooi offermes te maken dat alleen voor deze gelegenheid gebruikt zal mogen worden.

Het is één ding om over zo'n beschikking in de mythologie te lezen, een ander om er romanpersonen die op onze naasten lijken in betrokken te vinden. Unsworth had zich iets meer moeite mogen geven om begrip voor Agamemnon te winnen, in plaats van hem in het kort uit te beelden als een bittere ongezonde brompot onder de druk van de Olympiërs. Nu moeten wij het geval maar aanvaarden als een evenement in een andere tijd dan de onze – met de illustratie dat een Saddam Hussein er niet van zou opkijken.

De kracht van Unsworths boek is trouwens dat het een cultuur uitbeeldt die niet in wezen hetzelfde is als de hedendaagse West-Europese: hij is anders, soms tamelijk dichtbij, soms ver weg. Iphigeneia, die zich in deze versie tenslotte laat offeren hoewel haar een ontsnappingsmogelijkheid geboden wordt, komt dichterbij dan haar vader: een koel mooi meisje zonder vrees voor bloed, dat van haarzelf net zomin als dat van een geit die zij eerder heeft helpen offeren.

Sommige van de personen klinken in de Helleense omgeving als voorlopers van de Engelse beschaving. Odysseus, onafgebroken in de weer als politiek intrigant, heeft wanneer hij de vergadering toespreekt vaak op kritieke punten moeite met zijn woordkeus en krijgt dan hulp van zijn adviseur Chasimenos. De wetenschap dat anderen op ons rekenen, het besef van verplichting dat bij hoge functies opkomt, wat is het woord dat ik daarvoor zoek? oreert hij. `Responsibility,' draagt Chasimenos bij, en Odysseus is hem dankbaar: `Responsibility, absolutely brilliant!' Deze eenvoudige grap wordt wel tien keer gevarieerd in de loop van het verhaal. Te veel misschien? Nee, wij moeten niet alles zwaar opvatten, ook niet de schandelijke houding van Menelaüs die een boerenmeisje verkracht heeft en in woede uitbarst als het gezin zich komt beklagen: `That was royal sperm, you bitch!'

Unsworth weet van aanpakken in zijn komische passages. Er tussendoor brengt hij het besef tot leven dat er tijden en volken zijn geweest die hun belevenissen anders opvatten dan wij. Daarbij kan de lezer een rilling over de rug gaan van vervreemding en welbehagen. Dat heeft deze romanschrijver dan voor elkaar gekregen.

Barry Unsworth: The Songs of the Kings, Hamish Hamilton, 245 blz. €24,15