De krabbels van een halfblinde woordmagiër

James Joyce wilde het zelf zo graag: boeken met als titel alleen een letter. Onlangs verschenen zijn `notebooks' met inderdaad een letteraanduiding. Om deze allerobscuurste aantekenboekjes, de bronnen voor `Finnegans Wake', te duiden is je reinste tekstpaleontologie verricht.

Van de Ierse schrijver James Joyce verschijnt de laatste tijd het ene nieuwe meesterwerk na het andere. Als hij niet oppast wordt hij nog een veelschrijver. Tijdens zijn leven (1882-1941) schreef hij maar drie romans, twee dichtbundels, een toneelstuk en een bundel korte verhalen. Maar in het afgelopen jaar 2002 kwamen er plotseling in één keer zes nieuwe boeken bij, stuk voor stuk met zeer raadselachtige titels: VI.B.10, VI.B.3, VI.B.29, VI.B.25, VI.B.6 en VI.B.14.

Eindelijk lijkt hiermee een jeugdwens van Joyce in vervulling gegaan te zijn, boeken met alleen een letteraanduiding als titel, zoals hij in Ulysses zijn alter ego Stephen Dedalus laat dagdromen:

`Boeken die je ging schrijven met letters als titel...

- Heb je zijn F gelezen?

- O ja, maar ik vind Q beter.

- Ja, maar W is schitterend.

- O ja, W.'

Maar het gaat hier niet om nieuwe romans, maar om iets veel interessanters en wereldschokkenders, namelijk de volledig geannoteerde uitgave van The Finnegans Wake-Notebooks at Buffalo, de werkschriftjes van Joyce die luchtdicht en vetvrij en met een speciale antibibliofielencoating liggen opgeslagen in de bunkers van de staatsuniversiteit van New York te Buffalo.

Deze notebooks, zo belangrijk voor de Wakeaanse wetenschap en vertaling, zijn ooit al eens, in 1978, in een facsimile-uitgave verschenen, in de monumentale James Joyce Archives, de zogeheten Garland editie, of de JJA zoals ze liefdevol worden afgekort met daarin alle tot dan toe bekende manuscripten, typoscripten en drukproeven van de hand van Joyce. Daar besloegen de werkboekjes voor Finnegans Wake alleen al vijftien van de in totaal 63 dikke Iersgroen gecoverde delen. De hele oplage van die uitgave, niet meer dan 250 exemplaren, is inmiddels onvindbaar, behalve in een klein aantal exclusieve bibliotheken in de wereld, waarvan de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag er gelukkig een is.

Joyceanen en vertalers van Finnegans Wake in het bijzonder hebben alle informatie nodig die ze kunnen krijgen. Voor ons was de JJA een van de belangrijkste hulpmiddelen bij het vertalen van dit buitenaards moeilijke werk, want we konden erin opzoeken hoe bepaalde woorden en zinnen ontstonden en groeiden en om eventueel te ontdekken waar en wat er misgegaan was bij het overschrijven, overtypen of zetten in een van de gemiddeld twintig stadia die een hoofdstuk doorliep van begin tot eind. Uiteindelijk kwamen wij uit op 2.212 tekstvarianten, die ons begrip voor de tekst vergrootten, zeker als het gaat om hele regels die weggevallen zijn en nooit hersteld.

Zestien jaar schreef Joyce aan Finnegans Wake en in die tijd schreef hij 55 schriftjes, van stenokladblokjes tot kasboeken, vol met de allerobscuurste aantekeningen die er ooit uit een schrijverspen of -potlood zijn gevloeid. Joyce was altijd aan het werk. Toen hij twee maanden op vakantie in Bretagne was, ging hij elke dag naar de bibliotheek om er boekjes te lezen over de legenden die de menhirs en de dolmen omgaven in plaats van er zelf naar toe te gaan, en intussen tekende hij ook nog wat rare Bretonse spreekwoorden op, boekig als hij was.

Dat we dit weten is ook al te danken aan het notebook-project. Want hoe mooi de JJA ook was uitgegeven, het handschrift van de halfblinde woordmagiër uit Dublin is vrijwel onleesbaar, en ook wat hij in de schriftjes opschrijft lijkt op het eerste gezicht kant nog wal te raken. Maar deze editie heeft niet alleen haarscherp afgedrukte facsimile's, maar ook uitgebreide transcripties, bronvermeldingen en gebruikersvriendelijke lijsten met kruisverwijzingen. En die zijn nodig ook.

VI.B.25 bijvoorbeeld begint met 83 grotendeels uitgescheurde bladzijden waar alleen een klein stukje van de bovenkant bewaard is gebleven, en waarvan af en toe nog wat fragmenten van woorden en nu en dan een heel woord over zijn, die nu door de redacteuren zijn ontcijferd. Op het restant van bladzijde 31 zien we de woorden `paternoster (bait)'. Joyce heeft ze doorgestreept, wat erop duidt dat hij de woorden gebruikt heeft in het schrijfproces. En inderdaad komt de `paternoster' voor in de Wake, toevallig ook op bladzijde 31, als de koning aan de hoofdpersoon Humphrey Kibbeling Ierwicker in regel zeven terloops vraagt `of paternoster en peurkwast tegenwoordig niet gewilder aas voor de kreeftenvangst waren.'

Een `paternoster' is hier een term uit de wrede wereld van de sportvisserij: het is een met lood bezwaard ondertuig met een aantal zijlijntjes eraan, waardoor het wel wat doet denken aan een rozenkrans, vandaar de naam. Joyce haalde het woord – zo kunnen we nu lezen dankzij het speurwerk van redacteuren en onbezoldigde vrijwilligers van Yokohama tot Amsterdam en van Portland tot Dublin – uit de Guide to Bognor, een toeristische gids uit 1922, die hij kennelijk las toen hij in de Zuid-Engelse badplaats op vakantie was. De vinder van de bron concludeert hieruit dat andere woorden in Finnegans Wake die ook uit het gidsje afkomstig zijn, waarschijnlijk door Joyce zijn opgetekend op de afgescheurde gedeeltes van de desbetreffende gemutileerde notebook-bladzijde.

Dit soort detectivewerk, waar uit een paar nauwelijks leesbare letters op een afgescheurde bladzijde wordt gereconstrueerd welke bron Joyce gebruikte, welke woorden hij eruit overnam en op welke plek ze in de Wake terechtkwamen, is je reinste tekstpaleontologie, te vergelijken met de reconstructie een hele laat-Pleistoceense megaloceros uit de vondst van één kies.

Op deze manier zijn talloze bronnen boven water gekomen, al of niet met behulp van paternoster of peurkwast. We zien Joyce in het begin veel vreemde en ook wel doodnormale woorden optekenen uit de Irish Times (inclusief een recept voor appeltaart, terwijl in Ierland de burgeroorlog woedde) en uit andere kranten. Toen het idee voor de verstoethaspelde wereldgeschiedenis die Finnegans Wake moest worden, eenmaal aan het uitkristalliseren was, las hij achter elkaar alle mogelijke en onmogelijke levensbeschrijvingen van de Ierse beschermheilige Sint Patrick. (16 maart is Patrick's Day, de dag waarop alle Ieren zich van de dijk zuipen, maar het verschil met de andere dagen is dat ze in elk café waar ze komen een speciaal stempeltje krijgen, een soort moderne aflaat: I did it for Pat. Wie de meeste stempeltjes heeft, hoeft – of kan – een hele week niet naar z'n werk.)

Joyce tekent dromen op, rare uitspraken van zijn vrouw Nora en tussen de in- en uitheemse woorden vinden we ook de grondleggende gedachtes van de Wake, zoals op VI.B.6.102(e): `all tongues in F[inn's]. H[otel]. tower of babel', en `Setting – a wake !?' op VI.B.3.131(d). Op VI.B.10.109(e) blijkt dat Anna Livia Plurabelle, het vrouwelijke hoofdprincipe van het boek, niet altijd zo geheten heeft, want ze begint haar archetypische leven als Dame Alice Barbara Esmond.

We zijn aanwezig in de gaarkeuken waar Joyce zijn grote Irish stew bereidt, we zien hem de ingrediënten in de pan gooien, en daardoor kunnen we nu ook precies determineren waar die unieke smaak vandaan komt van de pot die zestien jaar heeft staan borrelen. Er zijn ongeveer 6.000 bladzijden van de aantekenschriftjes te redigeren. Het notebook-project wil minstens zes notebooks per jaar uitbrengen – waarbij er ook elektronische updates zullen komen met de bevindingen van de lezers van de papieren uitgave. Dan hebben wij over pakweg tien jaar een hele serie nieuwe meesterwerken op de plank met alle bouwstenen van Joyce' boek van de nacht en beschikken we, met de JJA, over alle stadia van de Wake, waarvan het boek dat in 1939 gepubliceerd is, er ook een is.

Nu al lopen wij net als Stephen Dedalus mijmerend over het strand:

– Heb je zijn VI.B.6 gelezen?

– O ja, maar ik vind VI.B.25 beter.

– Ja, maar VI.B.14 is schitterend.

– O ja, VI.B.14.

Vincent Deane, Daniel Ferrer, Geert Lernout (red.): The Finnegans Wake Notebooks at Buffalo. Brepols publishers, VI.B.10 (174 blz.), VI.B.3 (150 blz.), VI.B.29 (230 blz.), VI.B.25 (64 blz.), VI.B.6 (312 blz.) en VI.B.14 (64 blz.). Prijzen: van €45,– tot €105,– per deel.

Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes publiceerden vorig jaar een Nederlandse vertaling van James Joyce's `Finnegans Wake', Athenaeum – Polak & Van Gennep, 1272 blz. €75,– (besproken in Boeken, 12.04.02)

    • Erik Bindervoet
    • Robbert-Jan Henkes