Dat pistool is echt nergens voor nodig

Arie Storm is het soort schrijver dat het beter doet bij andere schrijvers dan bij het grote publiek. Hij is ook het soort schrijver dat niet schroomt om het in zijn werk over andere schrijvers te hebben. Soms instemmend citerend (Gerard Reve, Javier Marías, Harry Mulisch), maar soms ook op geheel andere wijze. Zo bevatte zijn vorige roman, De ongeborene, een `cursus Enquist-proza', waarin hij de werkwijze van zijn collega Anna Enquist fileerde. Hij onderscheidde een elftal kenmerken van haar proza, zoals het veelvuldig maken van sprongen in de tijd, `alles terugvoeren op relatieproblemen', veel aandacht voor kleuren en muziek, rijkelijk vloeiende tranen en `pathetische woordherhaling'. Dat alles dient een doel: `Hoe vager je verhaal is, des te gemakkelijker het is om je personages, je lezer en jezelf vanaf de eerste bladzijden onder te dompelen in hysterie'. De `cursus' fungeerde in het boek als een soort omgekeerde poëtica, een aanduiding van hoe Arie Storm niet wil schrijven.

Er sprak ook wel een zekere jaloezie uit ten opzichte van minder getalenteerde maar beter verkopende schrijvers, want Storm heeft met zijn eerste drie boeken wel veel lof geoogst, maar niet veel lezers. Zijn vorige uitgever, Ronald Dietz van De Arbeiderspers, noemde hem dan ook `een cultschrijver voor de fijnproever', wat Storm in een interview passend herformuleerde tot `Jij verkoopt gewoon niet'. Ook Storms vierde boek, het nu verschenen Afgunst, is weer iets voor de fijnproever. Maar het is volgens mij ook een poging om de `cursus Enquist-proza' zelf toe te passen en zo een bepaald type bestseller te parodiëren. De parodie begint al bij de tekst op de achterflap, waarin staat: `Met Afgunst schreef Arie Storm een grimmige en komische roman, die handelt over de onmogelijkheid een ander ook maar enigszins te kennen'. Het lijkt te duiden op een psychologische roman, waarin geheel volgens de cursus, alles terug te voeren is op relatiestrubbelingen.

Tot nu toe gebeurden de dingen in Storms boeken in een logische volgorde. Een debuutroman over zijn studententijd werd gevolgd door een boek waarin hij verslag deed van zijn eerste stappen in de literaire wereld en, in 2001, door De ongeborene, waarin een inmiddels redelijk bekende, maar weinig verkopende auteur zich voorbereidt op de geboorte van zijn eerste kind. Daar begint Afgunst: `Mijn vriendin en mijn dochtertje slapen. Ik zit aan mijn bureau achter de computer'. Volgt een uitweiding over de uitdrukking `gewoon' thuis bevallen (`Er vinden bij ons in huis nóóit bevallingen plaats, Masjenka was de uitzondering op de regel') en nog een aantal reviaanse terzijdes, culminerend in de verzekering: `Ik ben van nature een vader'. De vader neemt zijn inmiddels vierjarige kind mee naar Artis en het Sarphatipark, leest Reve en Rosenboom voor en slaat muggen dood – precies het leven zonder markante gebeurtenissen dat je kon verwachten. We treffen hier een man in rustig vaarwater. De vierde Storm begint dus nog als een boek waarin hij virtuoos-ironisch en met veel grappen een leven zonder veel uitzonderlijke gebeurtenissen beschrijft.

Dan echter blijkt dat de naamloze held werkt aan een boek in het bizar aandoende genre van de `autobiografische historische roman', waarbij de schrijver de verwarring nog vergroot door te zeggen dat hij óók nog een boel heeft verzonnen. Het boek-in-het-boek gaat over de tijd, vijf jaar geleden, waarin hij naast schrijver ook tandartsassistent was. Belangrijker is dat het de tijd was waarin er nog wel degelijk belangrijke gebeurtenissen in zijn leven plaatsvonden, het zat vol met `wantrouwen, achterdocht en andere troebele zaken'. Hij en zijn vriendin Mara hadden namelijk relatieproblemen.

De herinneringen aan die voorbije periode komen op gang nadat hij in een pakje Barclay (`een damessigaret, maar Gerard Reve rookt dit merk ook en ik heb iets in me van een dweper') een kaartje heeft aangetroffen waarop een groen oog staat afgebeeld. Die aanblik doet hem terugdenken aan de avond waarop vijf jaar geleden de telefoon ging en er een kort gesprek volgde met een vage kennis die de indruk wekte eigenlijk voor iemand anders te bellen, `en vanaf dat moment wist ik dat mijn vriendin vreemdging'. En, niet te vergeten: `Met mijn ene hand hield ik de telefoon vast en met mijn andere hand, ik zie het duidelijk voor me, mijn pistool, want in die tijd had ik een pistool, een van de zaken die mijn leven, en vooral mijn verleden, zo potsierlijk maken'. Een pistool, op pagina 23. Dat duidt op een plot. Want een pistool in de eerste akte, dat moet vóór het einde van het stuk worden gebruikt.

De verwarring neemt vervolgens snel toe. Zo blijkt dat de hoofdpersoon al ver vóór het mysterieuze telefoontje veel sterkere aanwijzingen had voor de ontrouw van zijn vriendin. Bijvoorbeeld een incident op een straathoek: `De persoon in kwestie stond te tongzoenen met mijn vriendin en ik stond erbij [...] Het duurde ongeveer een minuut of tien'.

Vervolgens tuimelen de gebeurtenissen over elkaar heen. Hij pleegt zelf ook overspel: hij belandt op het keukenlinoleum met Louise Pap, de vrouw van de tandarts die hij assisteert. Steeds verwarder probeert hij bovendien verbanden te zien tussen zijn eigen bestaan en de aanslag op een Turks gezin in de Schilderswijk in Den Haag. Ook probeert hij een (vermoedelijk imaginaire) vlinder op zijn borst vast te pinnen. Uiteindelijk realiseert hij zich dat hij terug wil naar de liefdevolle blik van zijn huidige vriendin Mara en besluit hij het pistool weg te gooien. Hij kan het echter niet vinden. Even later brengt de politie het langs. Hij had het al gebruikt.

In deze kluwen zijn de kenmerken van de `Enquist-cursus' zonder veel moeite te ontdekken: de vreemde sprongen in de tijd, een hoofdpersoon die steeds in tranen uitbarst, een merkwaardige fixatie op ogen en hun kleur en een krankzinnig beschreven pijpscène vol woordherhalingen. De grote tijdsprongen worden door Storm nog extra benadrukt, al is het maar doordat de verteller zijn tevredenheid uitspreekt over de momenten waarop zaken wel logisch op elkaar volgen: `Alles was ook in de juiste volgorde gebeurd! Eerst de kleren uit en dan de penis in de mond en dan lozen.'

Afgunst is een roman waarin Storm zijn afgunst ten opzichte van sommige succesvolle auteurs een bijzondere vorm geeft, zij het dat de parodie soms zo goed geslaagd is dat aan Afgunst ook deels de bezwaren kleven die horen bij het werk van de door `romantechniek' gedreven auteurs, waar de trucjes het leven uiteindelijk hebben verdreven: ook opzettelijk gestichte en komisch bedoelde verwarring gaat soms vervelen.

Gelukkig blijkt ook dat Storm niet van plan is om zijn werk een blijvende nieuwe wending te geven. Dat wordt niet alleen duidelijk door de manier waarop Storms stijl en humor ook in Afgunst het boek voortdrijven, maar vooral ook door het laatste deel van de roman. Preciezer, op het moment waarop de hoofdpersoon zich realiseert dat hij zijn pistool – de metafoor voor álle romantechniek – beter kan weggooien: `Dat pistool had ik nergens voor nodig. Het was nergens voor nodig om als schrijver die er nu eens flink vaart achter ging zetten een pistool in huis te hebben.'

Dat is met het oog op Storms volgende boek een geruststellende mededeling. Aan de parodie, tenslotte, ontbreekt nog maar één detail, het enige wat Arie Storm niet zelf in de hand heeft: betere verkoopcijfers.

Arie Storm: Afgunst. Prometheus, 192 blz. €16,95