Avant-gardûh op de piano's

Gerard Bouwhuis en Cees van Zeeland vormen al 25 jaar een pianoduo dat zich specialiseert in moderne muziek. Binnenkort presenteren ze `Haags hakkûh' van Louis Andriessen.

Muisgrijs en melkachtig licht valt binnen door drie kleine ovale zolderramen, die uitzicht bieden over de daken van de Haagse binnenstad, waar een bedaagdheid heerst die bij een winterse zondagnamiddag past. De sereniteit wordt abrupt doorbroken door snerpende, percussieve akkoorden en grommend bassende clusters, afkomstig van twee wat versleten ogende salonvleugels die de zolderruimte goeddeels vullen. Met de rondingen tegen elkaar aan schurkend, vormen de vleugels een soort yin en yang-teken, zodat de pianisten Gerard Bouwhuis en Cees van Zeeland schuin tegenover elkaar zitten en goed oogcontact hebben. Er wordt gerepeteerd op Haags Hakkûh, het stuk dat Louis Andriessen componeerde ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig jubileum van het Pianoduo en dat komende zondag tijdens een feestelijk concert in de Amsterdamse IJsbreker in première gaat.

Bij de opmaat voor de muziek, die paar seconden voor de eerste inzet, lijkt het of de aarde even ophoudt met ronddraaien. Dan, een resoluut knikje van Cees van Zeelands glimmende schedel, dat samenvalt met een kort inhalerend gegnuif van Gerard Bouwhuis. En een fractie later volgt op de downbeat een mokerslag, een ronkend akkoord verzonken in metersdik gewapend beton, snoeihard en spatgelijk. Het wordt gevolgd door een precisiebombardement van melodieflarden die door alle registers heen schieten, op een tapijt van onbehaaglijk schurende harmonische verschuivingen. Hoewel de beide in 1954 geboren pianisten subtiliteit zeker niet schuwen en desgewenst excelleren in een gevoileerd pianissimo, zijn het vooral de tomeloze energie waarmee ze het klavier te lijf gaan en hun solide drive en accuratesse die ze tot huisstijl hebben verheven. Bouwhuis en Van Zeeland deinzen er niet voor terug om de muziek stevig in de verf te zetten als de partituur daar om vraagt. Gerard Bouwhuis: ,,Ons allereerste optreden was in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. We speelden Praxis van Diderik Wagenaar, met Werner Herbers op de hobo. `Ik vind dit héél lelijke muziek', riep een oude dame vanaf het balkon. Dan weet je dat je op de goede weg zit.''

,,In die vijfentwintig jaar hebben we eigenlijk nooit echt ruzie gehad'', constateert Cees van Zeeland licht geamuseerd, als we na afloop van de repetitie in een Spaans restaurant zijn beland. ,,We spelen alleen maar stukken die we allebei echt goed vinden en waarvan we zeker weten dat het repertoire wordt. Op de een of andere manier heeft het tussen ons altijd als een soort bandje gevoeld. We merkten gewoon dat het met het samenspelen klikte, omdat we eenzelfde gevoel voor timing hadden. Vanuit die groove hebben we altijd de muziek benaderd. Dat doen we ook als we een stuk als Structures van Boulez spelen, waar het wel in de laatste instantie de bedoeling is dat je er met je voet op mee kan tappen. Maar ook daar staan maatstrepen en ritmes. We lezen het als metrum en gaan er mee aan de slag, dan haal je de muziek op een andere manier naar de oppervlakte.''

De psychologie van een pianoduo laat zich vergelijken met het dubbelspel bij tennis. Je moet je medespeler blindelings aanvoelen en iedere beweging al van tevoren kunnen doorgronden. Gerard Bouwhuis: ,,Als we vóór een concert gaan eten, bestellen we altijd allebei hetzelfde, dat is vanzelf zo gegroeid.'' Van Zeeland is tevens actief als componist, en Bouwhuis als improvisator. En beide pianisten beoefenen ook het enkelspel, of musiceren in ander verband. Maar de optelsom van hun persoonlijkheden heeft een meerwaarde die niet alleen in de muzikale chemie tot uiting komt. De sfeer is onbekommerd, van een jongensachtige uitgelatenheid. Als je als componist door het Pianoduo wordt uitgevoerd, krijg je het gevoel van een schoolreisje. De voertaal is Haags en ik schakel als vanzelf over op Rotterdams.

Verplicht pianoles

Cees van Zeeland: ,,Mijn vader was van 1904 en speelde mandoline in dixielandorkestjes hier in Den Haag. Bij ons thuis zaten alle zes de kinderen verplicht op pianoles. Mijn oudere broer kende de pianist en componist Henk Alkema, dat is zo'n beetje mijn muzikale vader. Via hem kwamen er bij ons thuis voortdurend bandjes over de vloer, jazzcombo's en dergelijke. Ik herinner me nog een drummer, die was ontslagen in de begintijd van de Golden Earring omdat hij geen maat kon houden.''

Ook de twee broers van Gerard Bouwhuis zaten in het West-Friese Castricum op pianoles, maar zelf wilde hij niet. Dat veranderde toen hij twaalf was en zijn moeder hem zomaar voor de lol wat op het klavier hoorde klungelen. Meteen besefte ze dat hij degene was die werkelijk talent bezat. ,,Vanaf de eerste les wilde ik alleen maar moderne muziek spelen. Hoe atonaler en harder, hoe beter. Later, toen ik les had van Geoffrey Madge, een specialist in 20ste-eeuws repertoire, leerde ik juist dat ik een veel te smalle basis had, omdat ik nooit echt Beethoven of Mozart had gestudeerd. Dat ben ik toen als een gek gaan inhalen.''

Bouwhuis en Van Zeeland leerden elkaar in 1976 kennen op het Haags Conservatorium, in die tijd een broeiplaats van muzikale vernieuwing. Louis Andriessen gaf er compositieles en richtte met de studenten ensembles op, om te experimenteren en er zijn stukken mee uit te kunnen voeren. `Wie de muziek wil veranderen, moet het muziek maken veranderen', zo luidde het devies. Deze drang tot verandering had vooral betrekking op de relatie tussen componist, uitvoerder en toehoorder en kwam, analoog aan het tijdsgewricht, langs demokratiese weg tot stand. Cees van Zeeland: ,,Het was een clubje mensen dat bestond uit componisten, spelers en geïnteresseerden. Toen bleek dat er nog een tweede pianist nodig was, wilde Reinbert de Leeuw dolgraag meedoen. Maar hij werd geweigerd, omdat-ie zich er toch maar mee zou bemoeien, zo vonden ze. Ik heb Gerard er toen bij gehaald.'' Het resulteerde in het ensemble Hoketus, en een gelijknamig muziekstuk van een fascinerende eenvoud en schoonheid. Het bestaat uit niets meer dan twee groepen van vijf muzikanten, altsaxofoon, piano, basgitaar, lage panfluit en percussie, die alternerend een akkoord spelen. Gedurende een half uur verandert er nu en dan iets in het ritme en af en toe iets in de harmonie, waardoor er een hypnotiserende cadans ontstaat. Spoedig bleek dat de twee pianisten samen een solide motor vormden en een ensemble op sleeptouw konden nemen. Vervolgens werden er meer stukken voor hen geschreven.

Het geluid van de Haagse School is van een hoekige non-sentimentaliteit en wars van het nuffige. Men speurt er tevergeefs naar genereuze gebaren en koket filigraanwerk, maar treft er veeleer de procesmatige verklanking van een muzikale structuur aan. Het klankbeeld is eerder beïnvloed door popmuziek dan door Brahms, en heeft een geserreerde passie die soms omslaat in drammerigheid. Maar niet zelden gaat er van deze spaarzaamheid ook iets prikkelends uit, zoals in Bint (1979) van Cornelis de Bondt, waar zich een langzaam maar gestaag proces ontvouwt van twee pulsgroepen die geleidelijk aan versnellen. De kaalslag en karigheid van het muzikale landschap doet ook aan de taal van Ferdinand Bordewijk denken. In diens roman Bint, uit 1934, wemelt het van de kriegelig makende opsommingen en dorre formuleringen, waaronder voortdurend poëzie sluimert.

Haags hakkûh is dan ook een treffend huldeblijk aan het jubilerende Pianoduo, dat de sound van deze muzikale stroming mede gestalte heeft doen geven. Componist Louis Andriessen over de telefoon: ,,Haags hakkûh is bedoeld als een soort toegift. Omdat ik zo'n beetje aan de wieg stond van het Pianoduo, vond ik het toepasselijk om wat voor ze te maken. Het is een meezinger, maar dan op zijn Haagse Schools. Er ligt een concept van vervreemding aan ten grondslag. De melodie is afkomstig van een smartlap, maar wordt heel erg vertraagd gespeeld en er zijn allemaal rare akkoorden aangehangen.'' Over welke smartlap het hier precies gaat, doet onze Toondichter des Vaderlands vervolgens erg ontwijkend en geheimzinnig. ,,Ik ben bang dat ik anders gedonder krijg met auteursrechten en dergelijke.'' Maar een beetje connaisseur van het levenslied pikt Harrie Jekkers' `O, o, Den Haag' (mooie stad achter de duinen) er moeiteloos uit.

Plunderen

De angst voor een rechtszaak lijkt me volledig ongegrond, al stel ik me graag de verbouwereerde gelaatsuitdrukking van de edelachtbare voor als tijdens de zitting een opname van het gewraakte stuk wordt beluisterd. Of het beklag van de eiser, die zich beteuterd afvraagt waarom zijn mooie melodie toch met zulke venijnige avant-gardûh klanken besmeurd moest worden. Ter verdediging van Andriessen zou ik kunnen aanvoeren dat het in de muziek al sinds een eeuwigheid gebruikelijk is om andere muziek vrijelijk te plunderen. Het is eerder regel dan uitzondering. Zolang je het origineel maar niet te dicht op de huid gaat zitten, is het allemaal best. Als Josquin Desprez (ca.1440-1521) een mis of een motet ging componeren, nam hij om te beginnen een populair volksdeuntje, zoals het lied `l'Homme Armé', en begon hij er vervolgens zijn eigen muziek over heen te schilderen.

Ook Gustav Mahler (1860-1911) maakte in zijn muziek veelvuldig gebruik van Schmalzers, de Midden-Europese smartlappen die klinken alsof er om vier uur 's nachts een dronken man bij je door de straat loopt te galmen. Het Weense publiek voelde zich hier echter door gepiepeld, omdat Mahler al te opzichtig bezig was en de melodieën te nadrukkelijk herkenbaar waren. Deze fout wordt voorkomen door, zoals Louis Andriessen en de renaissance-componisten doen, het geleende materiaal sterk te vertragen en zodoende te maskeren. Bij deze cantus firmus-techniek wordt een fragment van een refrein met gemak opgerekt tot een tijdsspanne van tien minuten, zodat deze handvol noten nog slechts de hoekpunten van de muzikale architectuur aanduiden.

Kleunen

Cees van Zeeland: ,,Wat betreft nieuw repertoire zijn we aangewezen op wat er aan nieuwe stukken geschreven wordt. Rachmaninov heeft ook werk voor twee piano's geschreven, maar dat laten we liever aan anderen over. Een rode draad die altijd door ons repertoire heeft gelopen, is de muziek van Stravinsky, maar nooit zijn populaire stukken. De Psalmensymfonie in de bewerking van Sjostakovitsj. Of Agon, dat is voor ons een essentieel stuk. Op twee piano's krijg je echt een röntgenfoto van de orkestklank, veel transparanter. Het verhaal, het proces hoor je veel beter, er is niets dat afleidt. We hebben Agon ook uitgevoerd met het ballet van William Forsythe, met de oorspronkelijke choreografie van George Balanchine. Vooral voor de dansers was het geweldig, want ze konden eindelijk een been wat langer in de lucht houden en een beetje werken met timing, omdat de communicatie met de muziek veel soepeler verliep. Een ander muzikaal hoogtepunt waren de Three Dances van John Cage, die we in zijn aanwezigheid op het Bang on a Can Festival in New York gespeeld hebben. En de versie voor twee piano's die we zelf maakten van De Staat van Louis Andriessen. Inmiddels kan iedereen De Staat wel spelen, maar in het begin hielden we het tien minuten vol en dan moesten we aan de koffie.''

In het tijdperk voor de grammofoonplaat was het de normaalste zaak om met zijn tweeën op een piano te gaan zitten kleunen, want zelfs als je in een metropool als Parijs of Wenen woonde, had je per jaar maar een beperkt aantal mogelijkheden om je favoriete stukken te beluisteren. En wat was er dan leuker en leerzamer om thuis de quatre-mainsversie op de piano te zetten en samen met een dierbare de ouverture van Oberon of de Eroica-symfonie tot klinken te brengen? Je probeert je een weg te banen door de jungle van noten, die deels ongewis is en die je voor een deel kunt herinneren uit de concertzaal. En mocht je verdwalen, dan zit er altijd nog een Dr. Stanley naast je om je te redden. Maar iedere vooruitgang schept zijn eigen achterlijkheid, zoals Frans Kellendonk reeds constateerde. Gelukkig is er het Pianoduo, om ons aan het plezier van muziek maken te herinneren en te verblijden met een weldadige stortregen van jubelend gehamer.

25-jarig jubileum van Het Pianoduo, Cees van Zeeland en Gerard Bouwhuis 23/2, 14u, Muziekcentrum De IJsbreker, Amsterdam tel. (020) 6939093; 26/2 in Rotterdam, Lantaren/Venster, 20.30u. Infolijn (010) 277 22 88