Armoedebestrijding 1

Staatsssecretaris Van Ardenne (ontwikkelingssamenwerking) noemt het in NRC Handelsblad van 18 februari ,,een merkwaardige gedachte om het geld dat bestemd is voor armoedebestrijding te gebruiken voor subsidies in de rijke landen''.

Het is misschien nog merkwaardiger dat mevrouw Van Ardenne nog niet heeft ontdekt dat de Derde Wereld minder baat heeft bij ter plekke uitgedeelde ontwikkelingshulp dan bij structurele wijzigingen in onze `eerste wereld' die ontwikkelingslanden in staat zullen stellen naar ons te exporteren. En dat geldt dan vooral voor de landbouwsector, omdat de Derde Wereld daar producten voortbrengt die op onze markt kunnen concurreren.

Het is tekenend dat Van Ardenne de 0,8 procent als `fatsoensnorm' betitelt. De Derde Wereld heeft geen boodschap aan ons fatsoen. Waar zij behoefte aan heeft is effectiviteit van ons streven haar lot te verbeteren. 0,8 procent is 0,1 procent meer dan 0,7, de internationale norm, die door de meeste landen niet eens wordt gehaald. Alleen Nederland en de noordse landen stellen er van oudsher een eer in erboven te blijven. Als Nederland de Derde Wereld werkelijk wilde helpen, zou het zich aan de internationale norm van 0,7 moeten conformeren, niet om het verschil in eigen zak te steken, maar om de resterende 0,1 procent te besteden aan creatieve maar niet onder de definitie van ontwikkelingshulp vallende middelen om het Europese landbouwbeleid in de gewenste richting om te buigen. Te denken valt dan aan een voorlichtingsactie om in de hele EU de publieke opinie te doordringen van de mate waarin ons landbouwbeleid onze ontwikkelingsinspanning tenietdoet. Het enige nadeel is dat we dan niet meer met onze fatsoensnorm kunnen pronken. Maar wie zich daardoor laat leiden zou zich moeten schamen.