Al het zachte nieuws dat past

Journalistiek vervult een cruciale rol in een moderne, complexe democratische samenleving. Maar de pers staat onder druk van steeds hogere rendementseisen en het oprukken van `zacht' nieuws, zelfs na de aardschokken van 11 september en Afghanistan.

Een van de pijnlijkste paradoxen van de journalistiek is door de Amerikaanse politicoloog Robert Entman onder woorden gebracht. Om volwassen burgers te worden, schreef hij in Democracy without Citizens (1989), kunnen de mensen niet buiten hoogwaardige journalistieke producten. Maar organisaties die zulke journalistiek willen leveren, voegde hij eraan toe, moeten wel op een publiek van volwassen, wereldwijze burgers kunnen rekenen. Een kip-en-ei-kwestie dus, zeker als het de mensen goed gaat, de economie groeit en conflicten oplosbaar blijken te zijn. De mensen willen dan liever vermaakt dan geïnformeerd worden en met amusement is dan meer te verdienen dan met nieuws.

Dat was het beeld op 10 september 2001. De dag daarna vroegen alle Amerikanen, en in hun voetspoor de halve wereldbevolking, zich af wat moslimterroristen in godsnaam bezielde. Waarom haten ze ons? Wat betekent Al-Qaeda? Waar ligt Afghanistan? Opeens wist iedereen het weer, het publiek zowel als de nieuwsmensen zelf: journalistiek is geen entertainment, maar dient voor het geven van informatie. De kranten vlogen de winkel uit en de televisie zond lange nieuwsbulletins uit, zonder reclameonderbrekingen.

We moeten afwachten hoe lang die renaissance van de serieuze journalistiek en de belangstelling voor het wereldgebeuren standhouden. Maar het minste dat je ervan kunt zeggen is dit: als de belangstelling voor serieuze journalistiek alleen opvlamt als de halve wereld in staat van alarm verkeert, dan verkeert de journalistiek de rest van de tijd in een diepe crisis.

Dat crisisgevoel staat centraal in een aantal boeken over de nieuwsindustrie die onlangs in de Verenigde Staten zijn verschenen. De misère heeft drie aspecten. Om te beginnen is er de kwestie van de eigendomsverhoudingen en het teruglopend economisch tij. In Amerika worden aan kranten- en tv-concerns zeer hoge rendementseisen gesteld. Twintig procent is in veel krantenconcerns een normale zaak, en er zijn er die streven naar dertig procent. Een terugval van de winst wordt door de aandeelhouders niet geaccepteerd, en tegenvallende omzet betekent snijden in het redacteurenbestand. Een gunstig effect op kostbare en tijdrovende journalistieke projecten heeft dat niet. Ook niet op het onderhouden van een netwerk van buitenlandse correspondenten. Ook in Nederland staat de winstgevendheid van kranten onder druk, al zijn de rendementseisen hier bescheidener.

Ten tweede: journalisten verzetten zich niet zelfbewust en met professionele allure tegen deze ontwikkelingen. Integendeel, in veel kranten en in vrijwel elke actualiteitenrubriek op de televisie is te zien hoe hard nieuws plaats maakt voor soft nieuws: over misdaad, het weer, gezondheid, consumentenzaken en de amusementsindustrie. En het derde punt: de lezers en kijkers winden er zich ook niet over op, ze vinden het wel prima zo.

Dat is misschien het meest deprimerende van de kostenbesparingen die onder druk van hogere rendementseisen worden ingevoerd, zegt socioloog Herbert J. Gans in Democracy and the news: dat die besparingen voor de kijkers en lezers zo onzichtbaar zijn. Onderzoeksjournalistiek is veelal het eerste doelwit van bezuinigingen, maar de lezers kunnen dat niet weten, zegt hij. Gans, een gereputeerde socioloog die eerder Deciding what's news (1979) schreef over het journalistieke bedrijf, maakt zich daar ernstige zorgen over. Een ideale democratie is van de burgers en zijn gekozen vertegenwoordigers, en de onmisbare bijdrage van de journalistiek aan dat ideaal is `de burgers te informeren zodat zij hun democratische verantwoordelijkheid kunnen nemen'. Maar terwijl de burgers steeds minder in te brengen hebben, is de positie van journalisten volgens Gans de laatste jaren aanzienlijk verzwakt. Aan de ene kant doordat `de gouden eeuw van de grote onderwerpen' voorbij is (de Koude Oorlog, de strijd voor de burgerrechten, Vietnam en Watergate), maar ook doordat journalisten steeds meer moeten werken in grote mediabedrijven, waarin voor nieuws geen hoofdrol meer is weggelegd. De opleving van de aandacht voor nieuws die 11 september bracht, ziet Gans als een tijdelijk verschijnsel. Hij verwijst naar de kijkcijfers, waaruit blijkt dat de aandacht voor de grote nieuwsjournaals en voor de nieuwsuitzendingen van CNN op de kabel tot een half jaar na de ramp aanzienlijk hoger was dan daarvoor. Maar halverwege 2002 was die weer op het niveau van vóór 11 september 2001.

Voor de ambities van de journalistiek hadden deze ontwikkelingen volgens Gans als duidelijkste gevolg een geleidelijke verschuiving van `hard' naar `zacht' nieuws – van nieuws dat betrekking heeft op politiek, op de publieke zaak en op gebeurtenissen in de hele wereld, naar nieuws over beroemdheden, schandalen, human interest, vrijetijdsbesteding en ziektes. Die verschuivingen kregen gestalte in nieuwe formats – zoals de praatshow op televisie, en de uitbreiding van special-interest bijlagen bij kranten.

Het boek van Gans heeft de vorm van een lang essay. De empirische onderbouwing van Deciding what's news – toen hij langdurig rondliep op de redacties van Newsweek en CBS – ontbreekt deze keer. Toch komen zijn bevindingen overeen met die van de Washington Post-redacteuren Leonard Downie en Robert Kaiser, die als echte journalisten de nieuwsindustrie onderzochten. Zij doken in de archieven en voerden gesprekken met vele redacteuren en managers uit de nieuwsindustrie. Het resultaat is een levendig, fascinerend boek: The News about the News. De ondertitel: American journalism in peril, vat het nieuws goed samen: dat is niet goed. Ook zij brengen journalistieke kwaliteit in verband met de kwaliteit van de eigendomsverhoudingen. In de Verenigde Staten maakt het oude stelsel van door families geleide ondernemingen snel plaats voor een structuur waarin grote mediaconcerns het de aandeelhouders naar de zin moeten maken. Voor General Motors is een jaar met een rendement van vijf procent een goed jaar, maar de Tribune Company of Chicago, een concern dat kranten en televisiestations bezit, verlangt een rendement van dertig procent van zijn kranten. Het nastreven van zulke hoge winsten, schrijven Downie en Kaiser, leidt al gauw tot ondermijning van het idee dat journalistiek een publieke dienst is.

Ze laten in hun boek zien dat dit proces inmiddels in volle gang is. De grote kwaliteitskranten als de Washington Post, The New York Times, de Los Angeles Times en The Wall Street Journal ontspringen de dans nog, maar voor veel kranten met een beperkter verspreidingsgebied zijn slechte tijden aangebroken. Het lot van de Philadelphia Inquirer is illustratief. Een goede krant aan het begin van de jaren tachtig, met een eigenaar – de familie Knight – die aan hoofdredacteur Gene Roberts de vrijheid en het geld gaf een goede krant te maken. Zeventien Pulitzer prijzen won de Inquirer onder het bewind van Roberts, en de oplage steeg met twintig procent. In 1989 fuseerde Knight met het mediabedrijf van Ridder, en Roberts' leven veranderde op slag. Hij werd gebombardeerd met memo's over het aantal FTE's en met kritische opmerkingen over tegenvallende advertentie-inkomsten. In 1990 hield Roberts het voor gezien en nam ontslag. Op dat moment had de Inquirer een oplage van 520.000 (op zondag 978.000). Elf jaar later was dat gezakt naar 365.000 (zondag 732.000). Maar het rendement was gestegen: van 4 procent in 1990 naar bijna 20 in 2000. Een analist die aandeelhouders moest bewegen te investeren in Knight Ridder wilde wel toegeven dat de cultuur van de Inquirer er vroeger een was van `producing Pulitzer Prizes instead of profits'. Maar, zo hield hij aspirant-investeerders voor, het goede nieuws is dat die cultuur aan het veranderen is.

Over televisie slaan Downie en Kaiser een nog bezorgder toon aan. Ook hier een toename van soft nieuws, beroemdheden, seks, misdaad en wervelstormen, en nationaal en internationaal nieuws dat daarvan de dupe wordt. Ze citeren Andy Lack, hoofdredacteur van NBC Nieuws, die vertelt waarom hij de meeste buitenlandse correspondenten schrapte. `Waarom zou ik een correspondent in Rome moeten hebben? Voor als de paus dood gaat?'

Veel van de trends die Downie en Kaiser op hun rondgang door de Amerikaanse journalistiek ontdekken, komen een Nederlandse lezer en kijker langzamerhand niet onbekend voor: de opmars van de beroemde journalist bijvoorbeeld. De goed verdienende nieuwspersoonlijkheid, die zich ver boven de nederige feitenzoekers verheven voelt en zich de rol van aanklager en nationaal geweten aanmeet. Downie en Kaiser vermelden het optreden van Tim Russert van NBC, die tijdens een televisiedebat Hillary Clinton uitdaagde excuses aan het Amerikaanse volk te maken. Wie naar de Nederlandse televisie kijkt, voelt dat het niet lang meer duurt of ook onze anchormen gaan dergelijke hoge ambities koesteren. Herkenbaar is ook wat Downie en Kaiser omschrijven als `vervanging van nieuws door praten, opinie en geargumenteer'. Een achteruitgang, vinden ze, vooral omdat niemand de moeite neemt op zoek te gaan naar de feiten.

Het boek dat de Amerikaanse wetenschappers Jamieson en Waldman rond dat thema hebben geschreven, The Press Effect, zal ook menig waarnemer van de Nederlandse journalistiek uit het hart gegrepen zijn. Wie zich de troebele verkiezingsstrijd over de hypotheekrenteaftrek nog herinnert, waarin Wouter Bos door Hans Wiegel voor `jokkebrok' werd uitgemaakt, zal zich vooral herinneren dat de pers zeer geïnteresseerd was in de vraag hoe die strijd de verkiezingsuitslag zou beïnvloeden. Vrijwel geen journalist nam de moeite om uit te zoeken of Bos werkelijk gejokt had.

Jamieson en Waldman betogen dat journalisten zich te vaak op sleeptouw laten nemen door de voorgevormde verhalen die politici in omloop brengen. Zoals bijvoorbeeld bleek bij het tumult rond de chaotische presidentsverkiezingen van 2000. Toen Bush net deed of hij de verkiezingen al had gewonnen, volgden veel journalisten hem in die opvatting – en droegen zo wellicht bij aan zijn uiteindelijke victorie. Journalisten hebben de neiging vooral de strijd, de horse race, te benadrukken. De inhoudelijke kwesties zullen ze ook in dat licht bezien: hoe `valt' de bewering van Al Gore dat de belastingplannen van Bush vooral de rijkste 1 procent van de Amerikanen bevoordeelt? Is het `verstandig' van Bos de hypotheekrente ter discussie te stellen? Die neiging wordt veroorzaakt, schrijven Jamieson en Waldman, doordat de meeste journalisten wel verstand hebben van politieke strijd, maar niet van de kwesties waarom die strijd gaat. Daarnaast is er een diepgewortelde angst om voor partijdig versleten te worden. Geconfronteerd met een politiek dispuut zullen veel journalisten hun toevlucht zoeken bij een uitgebalanceerde weergave van de strijdpunten – en zo de burgers die willen weten hoe het werkelijk zit het bos insturen.

De nadruk op de horse race en de geringe aandacht voor de werkelijke kwesties vinden we ook terug in de analyses van een recente Nederlandse publicatie over de journalistiek. In De puinhopen in het nieuws doet een groep politicologen onder leiding van VU-hoogleraar Jan Kleinnijenhuis verslag van hun onderzoek naar de wijze waarop de media de Tweede Kamerverkiezingen van 2002 versloegen. Het waren de verkiezingen waarin Pim Fortuyn zijn postume overwinning behaalde, het CDA de grootste partij werd en de PvdA zwaar verloor. De vraag van Kleinnijenhuis c.s. was hoe een dergelijke aardverschuiving toch mogelijk was. De uitkomst van hun onderzoek is simpel: omdat de media zoveel aandacht hebben besteed aan de tegenvallende resultaten van het tweede kabinet-Kok (`de puinhopen van Paars') in relatie tot de opkomst van Fortuyn, ontstond er een vruchtbare voedingsbodem voor zijn radicale ideeën. `Het nieuws', schrijven Kleinnijenhuis c.s., werkte `gedurende de campagne aantoonbaar in het voordeel van de LPF en het CDA'. De journalisten hebben zich laten meeslepen door Fortuyn en hebben de onvrede en het onbehagen aangewakkerd door zoveel over zijn thema's te berichten. Wat ze hadden moeten doen, is volgens de auteurs iets heel anders: ze hadden het publiek moeten `immuniseren tegen hypes'. Hoe? Zorgvuldige verslaggeving van het politieke debat en meer aandacht voor de oppositie tegen Paars hadden er volgens de onderzoekers toe kunnen leiden dat de kritiek zoals die door Fortuyn werd verwoord, niet als een donderslag bij heldere hemel was gekomen.

Het zijn geen onredelijke gedachten. Het is waar, de media hebben zich door Fortuyn laten overrompelen. En zijn succes had hij nooit kunnen behalen als hem niet zo'n prominente plaats onder de Hilversumse schijnwerpers was gegund. Maar treffender dan de overrompeling van de media was toch zijn overrompeling van de gevestigde politiek. En dat de media onbarmhartig in beeld brachten dat de politieke partijen dáár geen antwoord op hadden, kun je niet de media, maar wel de politiek verwijten. De puinhopen in het nieuws bevat veel interessant materiaal, en het valt toe te juichen dat de Nederlandse journalistiek op een serieuze manier de maat wordt genomen. Maar het definitieve onderzoek over de media en Fortuyn is het zeker niet. Het boek maakt ook de indruk in haast geschreven te zijn en bevat overlappingen en tegenstrijdigheden.

Is er een uitweg uit de crisis? Kan de paradox van Entman doorbroken worden en kan de journalistiek zich aan zijn eigen haren uit het moeras omhoogtrekken? In alle hier besproken boeken geven de schrijvers hun suggesties voor een betere nieuwsvoorziening. Kleinnijenhuis c.s. geven de journalisten een heel adequaat advies: let beter op, staar je niet blind op de mainstream, kijk om je heen. Jamieson en Waldman hebben ook een goede raad: zoek het uit, gedraag je als bewaker van de feiten. En ze laten zien dat er heel bruikbare methoden zijn waarmee een journalist klaarheid in een omstreden kwestie kan brengen zonder dat hij zich aan een van de strijdende partijen hoeft uit te leveren.

Gans komt in Democracy and the News met een heel scala aan adviezen. Zijn voornaamste zorg is de lezers en kijkers weer bij de les te trekken, ze weer te interesseren voor het echte nieuws. Sommige van zijn adviezen zijn tamelijk bizar: zijn pleidooi voor meer humor bijvoorbeeld, of zijn betoog dat de combinatie van nieuws en fictie de belangstelling voor nieuws kan vergroten (Gans verwijst hier naar het fenomenale succes van de televisieserie Roots). Andere aanbevelingen: praat met je lezers en kijkers, zoek uit waarin je in hun ogen faalt of het bij het verkeerde eind hebt en probeer erachter te komen hoe je het nieuws op een gebruiksvriendelijke manier kunt presenteren. Geef zoveel mogelijk opinie, zowel van geïnformeerde insiders als van gewone mensen en lezers. Een cruciaal minpunt van de pers is volgens Gans dat te veel een top-down-benadering wordt gevolgd. Nieuws wordt in de ogen van het publiek daardoor iets van directeuren, staatshoofden en andere hooggeplaatsten. Dat valt te doorbreken, zegt Gans, door het nieuws vanuit verschillende gezichtspunten te belichten. Bekijk het economisch nieuws niet alleen met de ogen van de investeerders, maar geef ook het perspectief van de loontrekkers.

Downie en Kaiser blijven in The News About the News hameren op kwaliteit: in een samenleving die gecompliceerder wordt en waarin de bedreigingen uit alle hoeken en gaten van de wereld komen, kan de behoefte aan goede journalistiek alleen maar toenemen, menen ze. Voor die stelling is ook wel het nodige bewijsmateriaal: het gaat de Post zelf, maar ook The New York Times, The Wall Street Journal en nog een paar Amerikaanse kwaliteitskranten relatief goed. Downie en Kaiser citeren Katharine Graham, de in 2001 overleden uitgever van hun krant, die pal stond tijdens de Watergate-affaire: `Journalistieke uitmuntendheid en winst gaan hand in hand.'

Het is waar, maar helaas niet altijd.

Herbert J. Gans: Democracy and the News. Oxford University Press. 168 blz. €27,95 Leonard Downie Jr. en Robert G. Kaiser: The News About the News. American Journalism in Peril. Alfred A. Knopf. 294 blz. €31,95

Kathleen Hall Jamieson en Paul Waldman: The Press Effect. Politicians, Journalists, and the Stories that Shape the Political World. Oxford University Press. 220 blz. €39,02

Jan Kleinnijenhuis e.a.: De puinhopen in het nieuws. De rol van de media bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 2002. Kluwer. 156 blz. €30,55