Het nieuws van 21 februari 2003

Rotmensen in een rotbuurt

Als wij Ingrid Hoogervorst mogen geloven, dan was opgroeien in Amsterdam-West in de jaren vijftig en zestig zo ongeveer het ergste wat een kind kon overkomen. In Woede, haar eerste roman, wordt in korte, driftige zinnen heel wat afgetierd over die `rotbuurt' waar geen normaal mens zijn leven lijkt te willen slijten. Asocialen wonen er, Indische mensen, ofwel `blauwen', stijve, brave gereformeerden en types waar een steek aan los zit, ofwel `krukels'. Daar ergens tussen woont het familie-Flodderachtige gezin dat Hoogervorst als speciaal object voor haar roman koos, waarschijnlijk op basis van eigen ervaringen. Vader, moeder en vijf kinderen: allemaal kampend met een ontregelde drifthuishouding. Bij het minste of geringste springen de gezinsleden uit hun vel en worden er armen omgedraaid, kopstoten uitgedeeld en nagels in gezichten gekerfd. `Bij ons wordt niet gepraat maar gekrijst', zo krijgen we al snel te horen. Rustig eten is alleen mogelijk nadat `ma' een natte vaatdoek uit de keuken heeft gehaald en iedereen er een klets mee om de oren heeft gegeven. Intussen eet `pa' als enige gewoon door. De oudste zoon, `boksbroer', zijn naam zegt het al, is van de vijf kinderen het meest opvliegend en zal zijn laatste gevecht niet overleven. `Professor Pipi', de tweede broer, is veel bedachtzamer, maar hij bijt fanatiek nagels en houdt niet van grapjes. `Zus' maakt de twee jongere meisjes graag 's avonds laat aan het huilen door hun griezelverhalen te vertellen. Ook gebruikt zij zonder pardon haar lange nagels als iets haar niet bevalt. Over de middelste zus, `Koekoeksjong', komen we niet veel meer te weten dan dat zij als peuter een krik tegen haar hoofd heeft gekregen waardoor zij wat is achtergebleven.