Wessels tennist vooral tegen eigen lijf

Peter Wessels (24) gold tot voor kort als Nederlands meest begenadigde tennistalent. Aanhoudend blessureleed verhinderde én verhindert een doorbraak.

Aan de conclusie viel niet te ontkomen. Want ja, meer dan eens hadden sombere gedachten de voorbije jaren door zijn hoofd gespookt als hij weer eens veroordeeld was tot een paar weken rusteloos thuis op de bank zitten. Na enig aandringen durfde Peter Wessels het gisteren daarom wel hardop te zeggen: ,,Misschien heb ik inderdaad wel niet het lichaam om topsport te bedrijven.''

Directe aanleiding voor die wrange constatering was het schijngevecht dat de 24-jarige tennisser uit Elburg kort daarvoor had geleverd met Jonas Björkman: 6-2 en 6-2. Kansloos bleek Wessels tegen de Zweedse routinier, mede door een spierblessure die zich 's ochtends tijdens het inspelen openbaarde en gaandeweg het duel verergerde, ondanks een tussentijdse behandeling van de bron van alle ellende (een gescheurde heupspier) en een handjevol pijnstillers. ,,Ik had net zo goed kunnen stoppen'', mopperde Wessels na zijn uitschakeling in de eerste ronde van het toernooi van Rotterdam.

Hoe anders was zijn gemoedstoestand een paar uur eerder nog? Wessels verheugde zich op de confrontatie met Björkman, nadat hij zich met succes door het kwalificatietoernooi had geworsteld. Het geluk leek hem zowaar weer eens toe te lachen. Zeker nu het lot hem aan Björkman had gekoppeld. Dertig jaar inmiddels en hoewel ooit de nummer vier van de wereld (november 1997) niet meer de gehaaide overlevingskunstenaar van weleer. ,,Niet iemand die je van de baan slaat'', wist Wessels.

Maar de geslepen Zweed, zondag nog verliezend finalist in het ATP-toernooi van Marseille, hoefde gisteren slechts zijn routine aan te spreken om zich te ontdoen van zijn door pijn verteerde tegenstander. Die beleefde een bitter déjà-vu. Wessels' grootste tegenstander staat immers zelden aan de overkant van het net. Zijn meest gevreesde opponent is zijn eigen broze gestel. Zuur was na afloop dan ook de conclusie die Wessels in zijn nog prille loopbaan al zo vaak heeft moeten trekken: ,,Het lichaam deed het weer eens niet.''

Vierentwintig is hij pas, maar het eens begenadigde en bewierookte talent, die ooit de 82ste plaats op de wereldranglijst bezette (september 1999), kan nu al een vuistdik medisch dossier overleggen. Al leek het ergste leed geleden toen het inmiddels naar de 445ste plaats afgezakte zorgenkind ruim een half jaar geleden een zoveelste door blessures (schouder- en lieskwetsuren) geteisterde periode afsloot en aan een nieuw hoofdstuk begon. Uit voorzorg liep hij de afgelopen maanden de deur plat bij de fysiotherapeut, die hij bijna vaker zag dan zijn vriendin. Het heeft, zo stelde hij gisteren op gelaten toon vast, niet mogen baten.

Al zo vaak heeft zijn lichaam dienst geweigerd, dat het breekbare talent na afloop zijn toevlucht zocht in klinische, afstandelijke bewoordingen om zijn zoveelste fysieke ongemak van commentaar te voorzien. Wie hem hoorde praten, had kunnen vermoeden dat Wessels het niet over zichzelf, maar over de patiënt aan de overzijde van de ziekenhuiskamer had. Ook in die zin lijkt hij op de tennisser met wie hij sinds zijn debuut bij de profs (1996) tot vervelens toe is vergeleken: Richard Krajicek. Cynici konden gisteren niet nalaten op te merken dat Wessels hem tot dusverre alleen heeft overtroffen in het aantal blessures.

Pijnlijk is voor Wessels vooral de gedachte dat daar waar twee van zijn generatiegenoten, Raemon Sluiter (24) en Martin Verkerk (24), inmiddels de sprong naar de tophonderd hebben gemaakt, hij veroordeeld is tot een slopend achterhoedegevecht waarvan het einde nog niet in zicht lijkt. Hij gunt zijn collega's het succes, van harte zelfs. Maar de `Waarom-zij-wel-en-ik-niet'-vraag laat hem niet los. ,,Het is moeilijk te accepteren dat het is zoals het is.''

Een martelgang waren de afgelopen achttien maanden toch al geweest. Zo ver teruggeworpen op de wereldranglijst was Wessels immers, dat hij zijn geluk noodgedwongen moest beproeven in het Future-circuit, de derde divisie van het internationale toptennis. Hoewel eindelijk pijnvrij bleek hij op de baan nog slechts een schim van de powerhitter die in het verleden met zijn bijna klassieke service-volleyspel menigeen in het nauw wist te drijven. ,,Knap frustrerend om tegen jongens te moeten spelen van wie je voorheen nog dik won, en dat op een niveau waar je niet wilt zijn. Al was ik allang blij dat ik überhaupt weer kon spelen.''

Wessels weigert zich dan ook de put in te laten praten. Met een wat ironisch klinkend enthousiasme herinnerde hij zijn gehoor aan het feit dat niet Sluiter of Verkerk, maar hij indertijd als eerste van zijn generatie de tophonderd binnensloop. Net zo goed als hij het was die bijna drie jaar op het gras van Newport als eerste een ATP-toernooi op zijn naam schreef. Die mijlpaal neemt niemand hem meer af. Ook al mag Wessels dan te boek staan als de schlemiel, die het bij gebrek aan geld inmiddels moet doen zonder vaste trainer-begeleider sinds de breuk, medio vorig jaar, met Hugo Ekker.

Zijn carrière is een aaneenschakeling van tegenslagen. Het is om gek van te worden. Maar Wessels houdt, al dan niet tegen beter weten in, de moed erin. ,,Omdat ik weet dat ik goed kan tennissen.'' Sterker nog: ,,Ik heb het gevoel dat ik mijn top nog lang niet heb bereikt.'' Aan stoppen denkt hij dan ook (nog) niet. ,,Maar het mag duidelijk zijn dat ik niet tot m'n 28ste door blijf gaan, terwijl ik vierhonderd en nog wat sta.'' Die martelgang wil Peter Wessels zichzelf besparen. Slechts één wens heeft hij, en die klonk gisteren als een hartenkreet: ,,Als ik maar heel blijf.''

    • Mark Hoogstad