Tussen alle stoelen

Eén uitspraak die minister De Hoop Scheffer vorige week heeft gedaan, verdient nadere beschouwing: ,,...mijn grootste ijkpunt is altijd de transatlantische band geweest met de Amerikanen'' (Trouw, 12 februari). Zolang de Sovjet-Unie nog als een bedreiging voor West-Europa, dus ook Nederland, werd beschouwd, was zo'n uitspraak nauwelijks voor bestrijding vatbaar, maar nu? Nu vraagt zij op z'n minst om een kanttekening.

In de eerste plaats: in december zei dezelfde bewindsman in de Tweede Kamer dat ,,Duitsland het ankerpunt voor Nederland is en ook moet zijn''. Hoe zit dat nu? Is Duitsland nu Nederlands anker- of ijkpunt of is Amerika dat? Of moeten we een subtiel onderscheid maken tussen ankerpunt en ijkpunt?

Nu moet gezegd worden dat De Hoop Scheffer aan zijn omschrijving van Duitsland als Nederlands ankerpunt toevoegde: ,,in specifieke vraagstukken als de vormgeving van Europa'', wat theoretisch als een beperking kan worden opgevat. Maar is het in de praktijk mogelijk Duitsland als ankerpunt in Europese Zaken te hebben en Amerika in andere? Is die combinatie houdbaar?

Die vraag is klemmender dan zij in december was, want sinds december zijn Duitsland en Amerika inzake Irak op ramkoers tegen elkaar gegaan. Nu is het wel duidelijk dat een volgen van Duitsland in Europese zaken bijna onvermijdelijk tot een botsing met Amerika zou leiden. Duitsland heeft immers, met Frankrijk en België, gekozen voor een anti-Amerikaanse koers.

In deze spagaat tussen zijn verschillende anker- en ijkpunten heeft de minister gekozen voor het Amerikaanse. Hij acht namelijk het meningsverschil met Frankrijk, Duitsland en België, die ,,nota bene liever aansluiting kozen bij de Russen dan bij de EU-voorzitter (Griekenland)'', ,,fundamenteel''.

Goed, De Hoop Scheffer kiest dus, nu puntje bij paaltje komt, voor het Amerikaanse ijkpunt. Dat is een standpunt waar we voor of tegen kunnen zijn de PvdA, die binnenkort wellicht zijn coalitiepartner zal zijn, is eerder tegen , maar dat in elk geval meer dan één kanttekening waard is.

Hoe lang is dit standpunt vol te houden? Het is duidelijk dat Amerika en Europa steeds meer, de laatste maanden in een versneld tempo, uit elkaar drijven. Dat is een misschien betreurenswaardig, maar niettemin natuurlijk proces. De gemeenschappelijke vijand, die hen ruim een halve eeuw aaneenbond, is weggevallen.

Dit proces is ten diepste niet afhankelijk van de leiders van de Europese en Amerikaanse landen. Die kunnen op z'n hoogst dat proces versnellen of vertragen, verscherpen of verzachten. Onder de tegenwoordige president van de Verenigde Staten is dit proces verhaast en verscherpt, maar ook onder een andere zou het, zij het misschien minder zichtbaar, zijn loop hebben genomen.

Natuurlijk verwelkomen de Amerikanen het dat acht later achttien Europese landen (waaronder niet Nederland merkwaardig, gezien De Hoop Scheffers uitspraak van vorige week), zich gekeerd hebben tegen het Frans-Duits-Belgische dictaat, maar het is de vraag of dit zal verhinderen dat zij op den duur heel Europa als een gezelschap onbetrouwbare partners zullen zien.

Voor het Verenigd Koninkrijk zullen zij waarschijnlijk, wat dat betreft, een uitzondering maken; en de zeer pro-Amerikaanse Oost-Europeanen zullen wellicht enige tijd de vruchten mogen plukken van hun loyaliteit. Maar Nederland, dat kleine landje ingeklemd tussen het (in hun ogen) onbetrouwbare Duitsland en dito Frankrijk. Wat is hun dat waard?

Normaliter zou in zulke omstandigheden Nederland zijn heil moeten zoeken in grotere Europese samenwerking, vooral op het gebied van buitenlandse politiek en veiligheid. Maar daarop waren die kansen sowieso al gering, en na de afgelopen weken, waarin zich ook in Europa een diepe kloof heeft geopenbaard, zijn ze helemaal vervlogen, althans voor de voorzienbare toekomst.

Zelfs de optie van een nauwere samenwerking met de Beneluxpartners blijkt niet meer dan een mantra, die elke nieuwe minister opnieuw herhaalt. Maar ook hier zijn er diepere gronden in beide landen dan de toevallige leiders (die ook hun invloed hebben!) die grenzen stellen aan de ogenschijnlijk zo voor de hand liggende samenwerking op politiek gebied.

Nederland dreigt dus, niet door eigen schuld, tussen allerlei stoelen te vallen. De traditionele pijlers van zijn buitenlands en veiligheidsbeleid de NAVO en de Europese Unie wankelen. De vraag is wat Nederland, in een desintegrerende omgeving, moet doen. De vraag is niet juist geformuleerd, want moet vooronderstelt een minimum aan keuzevrijheid. Beter: op welke positie, welk beleid moet Nederland zich voorbereiden?

Minister De Hoop Scheffer zou onverstandigere dingen kunnen doen dan zijn ambtenaren de opdracht te geven daarover een studie te verrichten, eventueel uitmondend in verschillende opties (maar ook die vooronderstellen die keuzevrijheid). De deskundigheid van onafhankelijke instituten, zoals Clingendael, zou daarbij ingeschakeld kunnen worden.

Door zo'n studie zou de minister niet gebonden zijn. Onderwijl zou hij in elk geval zijn onverdroten werk voor Europese eenheid ,,ik doe er alles aan Europa op één lijn te krijgen, al fiets ik tegen een steile berg op'', zei hij in het Algemeen Dagblad van 12 februari kunnen voortzetten en ernaar kunnen blijven streven Amerika voor het multilateralisme te herwinnen. Het een sluit het ander niet uit.

Er is nòg een traditionele pijler van Nederlands buitenlands politiek: de Verenigde Naties. Maar ook die dreigen verzwakt uit de crisis van vandaag tevoorschijn te komen. Dat zou evenwel niet hoeven uit te sluiten dat Nederland zijn vrijwel oncontroversiële taken van vredeshandhaving en ontwikkelingshulp blijft voortzetten. Ook vóór de oorlog belette Nederlands neutraliteit niet dat, onder veel nationale geestdrift, in 1935 een detachement van 250 mariniers werd uitgezonden ter bewaking van het plebisciet dat in 1935 in het Saargebied werd gehouden over een terugkeer naar Duitsland.

Ook ontwikkelingshulp had haar voorganger: volgens de onlangs overleden erudiete journalist L. Metzemaekers was sinds 1900 de koloniale politiek verweven met hetzelfde streven naar opvoeding, klaarmaking der koloniale volken voor zelfstandigheid dat in de ethiek der ontwikkelingshulp zijn rechtstreekse voortzetting vindt. Zo zou, vooral als we de halve eeuw na 1945 als een uitzonderlijke periode in de Nederlandse geschiedenis beschouwen, de breuk met het verleden minder groot zijn dan zij, op korte termijn bezien, lijkt.

    • J.L. Heldring