Onderwijsgelden

Er moet meer geld naar het onderwijs, schrijven Maria van der Hoeven en Annette Nijs in NRC Handelsblad van 11 februari. Ook de economen Wim Groot en Henriëtte Maassen van den Brink tonen in `Investeren en terugverdienen' aan dat dat nodig is voor de economische groei. Werkgevers, werknemers en schoolleiders in basis-en voortgezet onderwijs pleiten al jaren voor een investeringsimpuls voor wat, niet voor niks, funderend onderwijs wordt genoemd. Zo ver is iedereen het dus eens.

Maar de oplossingen van de bewindsvrouwen van OC en W spreken minder aan. `Beschikbare middelen beter inzetten', schrijven ze. Daar is niemand tegen. De genoemde invoering van lumpsumfinanciering in het primair onderwijs is echter een slecht voorbeeld. Daar moet geld bij, voor je de scholen zelf verantwoordelijk maakt. Je kunt een jaar lang de houtkachel stoken op rapporten met bewijzen van achterstallig onderhoud, vuile scholen, te weinig ondersteuning van personeel.

Tweede suggestie: ouders en bedrijfsleven betalen structureel mee. Wie betaalt dan de school als gulle gevers hun aandelen zien dalen, het bedrijf moet inkrimpen, de ziektekostenpremie ernstig stijgt? De overheid kan als enige de continuïteit waarborgen. Bovendien: welke welgestelde ouder voelt zich geroepen structureel geld op tafel te leggen voor het onderwijs in het algemeen? Giften zullen vooral naar de school van hun eigen kinderen gaan, de kansrijke scholen dus. Eenzelfde bezwaar kleeft aan grootschalige sponsoring door bedrijven. Wordt de bekostiging via ouders en bedrijven structureel, dan groeit de tweedeling in het onderwijs. En tweedeling is, in en buiten het onderwijs, voor niemand goed.