Duitsland is spil in Europese verlamming

Het is te hopen dat na een oorlog in Irak de belangrijkste Europese landen zich bezinnen en zich uit de karrensporen van de negentiende eeuw weten te trekken, meent Ben Knapen. Het huidige Europa als optelsom van staten en belangen voldoet niet meer.

Wie de dagelijkse drukte van vergaderende politici en wereldleiders een beetje op zich laat inwerken, kan zich afvragen wat unieker is in de naoorlogse geschiedenis: de lust waarmee verantwoordelijke mannen meest mannen het ene na het andere houvast tot scherven hebben geslagen, of de ordinaire heftigheid waarmee het gebeurt. Vangnetten voor stabiliteit en ordelijke betrekkingen scheuren en avond na avond kan men – soms ook live – meemaken, hoe getrainde, goed opgeleide en ervaren leiders hun woede en frustratie de vrije loop laten. Het dunne draadje dat maandag door de Europese leiders is gespannen, is slechts een schrale troost – men is in elk geval er zelf dan toch van geschrokken.

Op het Europese vasteland schijnt amper nog een discussie te kunnen worden gevoerd zonder vooraf eerst even in harmonie vast te stellen dat de jonge Bush een Texaanse randdebiel is. In de Verenigde Staten heten Chirac en Schröder perfide profiteurs. De een na de ander bijt zich vast in zijn eigen retoriek en de uitkomst is voorlopig absurd: Duitsland dat de gelederen met Rusland, China en Frankrijk sluit om de Angelsaksen een halt toe te roepen, Amerikanen die juichen wanneer Bin Laden laat weten aan de kant van Irak te staan. Elk land heeft op zijn eigen manier zijn nationale moralisme aan de kook gebracht – de machtelozen keren zich tegen oorlog, de machtigen zullen de wereld safe for democracy maken, en de handigen trachten er, op helaas al te zichtbare manier, een slaatje uit te slaan.

Hoe kon het zover komen en wat leert dat voor de dagen erna?

Het is maar anderhalf decennium geleden dat de neergang van de Verenigde Staten werd voorspeld. De Brits-Amerikaanse historicus Paul Kennedy beschreef de parallellen tussen eerdere wereldmogendheden en de VS, om er als conclusie de imperial overstretch aan toe te voegen: elk wereldrijk gaat uiteindelijk aan zichzelf te gronde. Amerika werd in die dagen overspoeld met essays over de opkomst van Japan, over de eigen schuldenberg, de scheve verhouding tussen consumeren en investeren (enjoy now, pay later) en de militaire aanwezigheid in verre uithoeken van de aardbol.

Het is allemaal anders gelopen en dat kan instructief zijn. Ten eerste stortte het sovjetrijk in een daverend tempo ineen tot wat Rusland nu is: een kernmogendheid met het bruto nationaal product van Nederland. Japan viel na een onroerend-goedcrisis terug in een sociaal-economische lethargie, die geleidelijk aan zo hardnekkig is geworden dat experts meer en meer hun toevlucht hebben genomen tot de collectieve psychologie van het land om er nog iets van te kunnen verklaren.

En Amerika zelf? Dat heeft de late jaren tachtig en vroege jaren negentig aangegrepen voor saneringen, moderniseringen en een ongekende verhoging van de arbeidsproductiviteit. Zoals zo vaak bij zulke economische omwentelingen ging dat gepaard met schrijnende bijwerkingen, zoals een unieke scheiding tussen arm en rijk, corruptie en schandalen. Maar het leidde er ondertussen wel toe dat de overheidsfinanciën grotendeels op orde kwamen en dat de Verenigde Staten betrekkelijk geruisloos en moeiteloos ongekend dominant werden als militaire supermogendheid.

Ter illustratie: Amerika gaf vijftien jaar geleden 6,6 procent van het bruto nationaal product uit voor defensie, en nu ongeveer de helft daarvan. Maar dankzij de geweldige economische groei is dat zoveel meer dat de defensiebegroting bijna is verdubbeld. Die uitgaven bedragen dit jaar 329 miljard dollar dat is eenderde van de totale uitgaven voor defensie in de hele wereld. Ter vergelijking: de Nederlandse defensie-uitgaven bedragen 7 miljard euro, waarschijnlijk amper genoeg om een Amerikaanse vliegdekschip met volle bepakking in de vaart te houden.

Ten slotte is het ook anders gelopen, omdat het begrip imperial overstretch een mens op het verkeerde been kon zetten. Immers, het baseert zich op het karakter van een klassiek imperium, van een wereldrijk. Tot op zekere hoogte miskent de term het bijzondere karakter van Amerika. Het land ziet zichzelf niet als een staat, zoals andere staten dat deden en doen, maar ook en vooral als een idee. Het kenmerk van Amerika is dat het geen ideologie heeft, maar er één is, zo luidde het kernachtige aforisme van de Amerikaanse historicus Richard Hofstadter kort na de Tweede Wereldoorlog al. Met alle hebbelijkheden en onhebbelijkheden is Amerika ook de zendmast voor de globalisering, dat wil zeggen voor de economische, culturele en vaak ook sociale omgangsvormen in de westerse samenlevingen.

In deze zin zijn de Verenigde Staten als een soort welwillende wereldmacht ook herhaaldelijk door anderen te hulp geroepen, het meest opvallend in de jaren negentig, eerst in Bosnië en later in Kosovo. Daarbij was het wel nuttig dat een Democraat in het Witte Huis zat, want Republikeinen blijven Europa sedert de culturele omwenteling van de jaren zestig vreemd. Republikeinen zijn daarvoor te traditioneel gebleven, sterk religieus, beetje meer acteurs van de krachtpatserij en de nationale romantiek dan de Democraten. Minder dan Democraten lenen zij zich voor gebaren van deemoed en grootmoedigheid die een supermogendheid in de omgang met de buitenwereld zo van pas zouden komen en waartoe de huidige minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, manmoedig een half jaar lang zijn best heeft gedaan, tegen de stroom van zijn politieke omgeving in.

Maar deze situatie van suprematie kan zo niet blijven. Amerika gaat door een nieuwe golf van sociaal-economische herstucturering, het registreert door schade en schande dat het niet doenlijk is om in de hele wereld politieagent te spelen en dat het aanzienlijk kwetsbaarder is dan de optelsom van strijdkrachten doet vermoeden. Tegenover het Midden-Oosten en tegenover een radicaliserende islam is het zelfs betrekkelijk machteloos, maar trekt het wel alle agressie naar zich toe louter door wat het is: machtig, rijk en westers.

Het is op dit punt aanbeland dat de belangrijkste Europese landen op zo'n tragische wijze hebben gefaald, zelfs na de lessen die te leren vielen uit de fiasco's van Bosnië en Kosovo. Hier valt een aantal ontwikkelingen samen. De Franse nomenklatoera is al anderhalf decennium bezig om een eigen positie veilig te stellen in het Europa van na de Duitse éénwording. Deze preoccupatie gaat zelfs zover dat in deze dagen waarin de Duitse bondskanselier knock-out achter Frankrijk aan moet hollen, de Franse president als in de hoogtijdagen van De Gaulle als zelfbenoemde Europese wereldleider door de conferentiezalen trekt. De Britse premier heeft al veel eerder het vermogen tot samenbinding in Europa verspeeld: eerst met het stranden van diens Europese, maatschappelijke missie van de `Derde Weg', en vervolgens met de weigering , c.q. het onvermogen, om zijn land een rol van betekenis in het integratieproces te laten spelen. Gebleven zijn diens messianisme en een degelijke Thatcher-reflex genoeg voor Amerika, te weinig voor Europa.

Maar de huidige Europese verlamming begint en eindigt toch bij Duitsland. Dit land werd alleen al om sociaal-economische, demografische en geografische redenen het centrum van zwaartekracht in het nieuwe Europa; bijna de helft van het bruto Europees product, meer dan tachtig miljoen inwoners en gelegen in het centrum van het nieuwe Europa. Bovendien een land dat voor het grootste deel gewend was geraakt om een bindende factor te zijn tussen Amerika en Europa, met soms het gewicht wat meer hier (Ostpolitik) en soms wat meer daar (kruisraketten).

Maar veel sterker dan op grond van zulke gewenningen voor mogelijk kon worden gehouden, heeft Duitsland zich op zichzelf teruggetrokken. Dat was aanvankelijk wel begrijpelijk, omdat de Duitse hereniging het land totaal in beslag nam – veel meer dan het relatief ongeïnteresseerde buitenland wenste waar te nemen.

Met de komst van Gerhard Schröder ging dat nog een stapje verder, want hij beklemtoonde keer op keer een kind van na de oorlog te zijn, maar attendeerde zijn landgenoten er ook even zo vaak op dat Duitsland nu een normaal land was dat zijn nationale belangen net zo mocht dienen als andere landen. Maar daar bleef het niet bij.

Gepaard met deze introspectie ging een sociaal-economische onmacht, die aanvankelijk nog verborgen was gebleven, toen de honderden miljarden in de hereniging werden gepompt en die vervolgens nog kon worden gemaskeerd dankzij een ongekende bloei van de wereldconjunctuur. Maar de laatste jaren valt er niets meer te verbergen – een grote, machtige middenklasse in Duitsland verschanst zich achter traditionele corporatieve instellingen om elke verandering tegen te gaan, en de Duitse regering kan zich nog slechts handhaven door zich opportunistisch tot vertolker van dit gevoel op te werpen. Het binnenlandse klimaat raakt vergiftigd door de machteloosheid om het land voor te bereiden op de grote kwesties (vergrijzing, gezondheidszorg, flexibiliteit, werkloosheid) en het gezag van de kanselier is er in- en extern door afgenomen. Wie had tien jaar geleden kunnen voorspellen dat Duitse bewindslieden ageren tegen het Stabiliteitspact, tegen de anti-inflatiekoers van Duisenberg, tegen de gele kaart van de Europese ministers van Financiën?

In dit verzurende klimaat bloeit ook gemakkelijk een sentiment van rancune tegen de buitenwereld. De globalisering bijvoorbeeld wordt veelal beschouwd als niets anders dan een sociale-ordeverstoring van Amerikaanse makelij. Alle genuanceerde beschouwingen in de betere bladen ten spijt, is Duitsland net zo bevattelijk voor anti-Amerikaanse sentimenten als andere landen. Als beschermende mogendheid heeft Amerika geen functie meer voor de eigen huisdeur. Voor het overgrote deel van de Duitse babyboom-generatie is de huidige Bush net zo verwerpelijk als destijds B-acteur Ronald Reagan, alleen kon men dat vroeger wegens de Muur en de Russen zo niet zeggen. In het Duitse psychologische klimaat werken Amerikaanse retoriek en can-do-optimisme inmiddels alleen nog maar als rode lappen op een stier.

Daar komt tot slot nog de persoon van Gerhard Schröder bij. Hij heeft hetzelfde machtsinstinct als zijn voorganger Kohl, maar mist een paar overtuigende opvattingen, die hem als gids navolgbaar maken. Als het niet zo tragisch was, zou het bijna komisch kunnen heten dat uitgerekend hij zich nu terugvindt vooraan de karavaan voor de totale vrede.

Zo blijven de Verenigde Staten nu achter als enige, dominante wereldmogendheid. Dat is op den duur een onhoudbare en onmogelijke positie. Volkenrechtelijk manoeuvreert het land op of over de rand, maar het kan juist bij zoveel verdeeldheid Saddam Hussein nu niet laten lopen, want het zou daarmee elke geloofwaardigheid en elk gezag als supermogendheid verspelen. Het zou immers niet alleen voor de dictator buigen, maar ook voor al die Europese dubbele agenda's.

Als de Europese chaos van de laatste maanden één ding heeft bewerkstelligd, dan is het wel dat Amerika nu niet meer terug kan zonder zichzelf en daarmee zijn huidige rol in de wereld te verloochenen en zonder een cascade van onvoorspelbare crises in het Midden-Oosten uit te lokken. Bij gebrek aan beter is één politieagent in de wereld altijd nog beter dan geen en is deze agent nog beter dan elke andere.

Maar het is geen recept voor de toekomst. Eén supermogendheid impliceert meer willekeur, meer verbittering en meer kwetsbaarheid dan bevorderlijk is voor stabiele verhoudingen. Amerika is niet bij machte fundamentele veranderingen in de islamitische wereld tot stand te brengen – alleen al in het Midden-Oosten-conflict is het land een ongeschikte scheidsrechter en een schietschijf tegelijk. Het kan er hooguit af en toe een oorlog winnen.

Te hopen valt slechts dat na een oorlog in Irak de belangrijkste Europese landen zich aan een wezenlijke herbezinning onderwerpen en dat zij zichzelf uit de statelijke karrensporen van de negentiende eeuw weten te trekken. Daar ligt, als alle rook is opgetrokken, ook de enige kans. Want Amerika kan niet alleen een idee zijn het is ook een staat die zijn belangen beschermt.

Europa kan niet alleen een optelsom van staten met eigen belangen blijven, maar zal tot op zekere hoogte toch ook een bundeling moeten vormen van een idee – wel westers, maar toch anders dan Amerika. Met andere woorden: het Westen zal opnieuw moeten worden uitgevonden.

Ben Knapen is lid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken.