Britse zorgen over day after in Irak

Over Irak in het tijdperk na Saddam is slechts één ding zeker: de onzekerheid. De Brits-Amerikaanse plannen voor democratisering van Irak verhogen de helderheid niet.

Humanitaire argumenten voor een ingreep in Irak bemoeilijken een coherente militaire en politieke strategie. Dat zeggen Britse Midden-Oosten-experts. Onder druk van een vijandige Britse publieke opinie, die Saddam niet als een levensgevaarlijk tiran beschouwt, zei premier Blair deze week voor het eerst dat een eventuele invasie ook tot doel heeft ,,Irak te vernieuwen'' en het Iraakse volk te bevrijden van ,,een van de meest barbaarse en verwerpelijke regimes in de moderne politieke geschiedenis''. Daarmee verzette Blair de bakens van een beperkte taak – Saddam ontdoen van zijn massavernietigingswapens, als hij niet meewerkt met de VN-inspecties – naar een veel omvangrijker opdracht. Die nauwer lijkt aan te sluiten op Amerikaanse plannen om in Irak een democratisch staatsbestel te vestigen. ,,De Britse regering ging tot nu toe steeds uit van een operatie rond de massavernietigingswapens'', zegt Rosemary Hollis, chef-Midden-Oosten van het Royal Institute for International Affairs (RIIA), een toonaangevend Brits instituut voor internationale betrekkingen. ,,Een complete democratische remake van Irak gaat veel verder en is [met een militaire operatie] moeilijk uit te voeren'', aldus Hollis.

,,De day after is net zo zorgwekkend als de militaire campagne zelf'', zegt ook Sir Timothy Garden, een voormalige luchtmachtgeneraal en nu als hoogleraar krijgskunde verbonden aan King's College. ,,Het is zeer problematisch de politieke strategie in militaire taken te vertalen.'' Garden en Hollis namen gisteren deel aan een mini-symposium over Irak dat was georganiseerd door de Foreign Press Association (FPA), de vereniging van buitenlandse correspondenten.

Hun aarzelingen komen bij een reeks recente klachten van hoge (ex-)militairen aan twee kanten van de Atlantische Oceaan over gebrek aan duidelijkheid over een militaire taak in Irak. Lord Bramall, een voormalige Britse chef-staf, citeerde een voorganger uit de desastreus verlopen Suezcrisis van 1956: ,,Natuurlijk kunnen we naar Kairo, maar ik wil graag weten what the bloody hell we daar moeten doen.''

Volgens Garden is de militaire strategie nog steeds niet in het stadium van concrete taken, terwijl de tijd daarvoor snel opraakt. ,,Commandanten willen van de politici weten wat er van hen wordt verwacht.'' Volgens hem hebben Britse bevelhebbers geen idee hoe ze de vermeende massavernietigingswapens van Saddam zouden moeten vinden of onschadelijk maken. Noch of dat prioriteit heeft boven het verslaan van Iraakse strijdkrachten of `humanitaire' taken, zoals het beschermen of redden van burgers en zelfs het `verwerken' van enorme hoeveelheden krijgsgevangenen.

Hollis en Garden zeggen beiden dat de humanitaire en democratiseringsmissie bol staat van de paradoxen. Om Irak post-Saddam effectief te kunnen besturen is het nodig de bestaande bestuursstructuur en infrastructuur niet te verwoesten. Maar het uitschakelen daarvan lijkt juist een hoofddoel van de planners in het Pentagon. Britten en Amerikanen hebben tot nu toe gezegd dat ze alleen een toplaag van Iraakse militairen en politici hoeven ,,af te schaven'', waarbij het huidige bestuur van de Ba'ath-partij grotendeels intact kan blijven. ,,Dat lijkt moeilijk te rijmen met democratie'', zegt Hollis.

Haar instituut brengt volgende maand een discussiestuk uit met drie toekomstscenario's voor Irak na een aanval. In het eerste scenario komt er een interne staatsgreep, voor het begin van een aanval of kort daarna. In het tweede scenario ontstaat er grote interne onzekerheid omdat Saddam wel verdwijnt, maar er geen alternatief regime is dat zijn plaats vult. En het derde scenario gaat uit van een Amerikaanse sprint naar Bagdad met de benoeming van een militaire gouverneur of een marionetten-regering.

In alle drie gevallen is de kans groot dat het ,,oude systeem'' terugkeert, denkt het RIIA. De huidige Amerikaanse analyse is volgens Hollis ,,a-historisch, staatgericht en sjabloonmatig'' en houdt geen rekening met zeer taaie onderliggende structuren, zowel religieus als in bestaande ,,maffianetwerken''. Bovendien komt er vermoedelijk een langdurige periode van interne afrekeningen. Volgens Garden zal spanning ontstaan over de Koerden, die ,,het best zijn geëquipeerd om de verwachte chaos te doorstaan, maar die hun aspiraties voor een eigen staat vermoedelijk zullen moeten inslikken.''

Garden zegt dat alleen al de `politietaak' van de Britten ,,een zeer zware opgave'' wordt. Het land heeft nu zo'n 30.000 man of een kwart van zijn strijdkrachten gecommitteerd aan Irak – alles wat ,,realistisch mogelijk is''. Na een conflict zouden 15.000 Britten voor langere tijd in Irak aanwezig blijven als onderdeel van een internationale macht van naar schatting 100.000 man.