Passiviteit troef bij onderwijsministerie

Het Rekenkamerrapport over de hbo-fraude laat zich lezen als een beschrijving van het poldermodel van ministerie en middenveld waarin strikte naleving van regels niet past.

Toen op 12 oktober 2001 Peter de Jong op het ministerie van Onderwijs mocht langskomen, waren er al kostbare maanden verspild. De Jong, oud-directeur van Hogeschool IJsselland in Deventer, tipte vier maanden daarvoor topambtenaar Jacob Zuurmond over grootschalig misbruik van zes hogescholen met subsidieregels. Scholen zouden Vlaamse studenten `rondpompen' en zo met minimale inspanningen collegegeld én subsidie innen.

Tijdens het gesprek luisterde Zuurmond geïnteresseerd, blijkt uit de gespreksnotulen. ,,Mogelijk'', zei hij, moet er ,,nadere actie'' komen om de hogescholen aan te pakken. Er gebeurde echter niets. Pas in november, toen De Jong de Tweede Kamer en de pers inlichtte, zette toenmalig minister Hermans zijn accountants aan het werk. De dienst trof bij de zes hogescholen een misbruik aan van 29,3 miljoen euro.

Het uitblijven van actie was geen incident, blijkt uit het vandaag verschenen rapport van de Algemene Rekenkamer over onderwijsfraude. Op verzoek van de Tweede Kamer heeft de Rekenkamer ook de bestuurscultuur op het departement onderzocht. Signalen, staat te lezen, waren er genoeg. Maar het ministerie reageerde ,,niet, onvoldoende doortastend, of betrekkelijk laat''.

En ook toen de accountants het misbruik bij de zes hogescholen boven tafel hadden gekregen, bleef het departement passief. Een vervolgonderzoek van het ministerie in het gehele hoger en beroepsonderwijs kan de prullenbak in. Het onderzoek moet over.

In het onderwijs, zeggen betrokkenen, is een poldermodel van bestuurders van onderwijsinstellingen en ambtenaren ontstaan. Ze overleggen op basis van wederzijds vertrouwen. Ambtenaren maken de regels, maar controleren niet of die ook worden nageleefd. Als een instelling misbruik van subsidieregels maakt, legt het ministerie geen straf op maar voert het een goed gesprek. Pas toen het echt niet anders kon de Tweede Kamer verweet de VVD'er laksheid deed Hermans begin vorig jaar aangifte van miljoenenfraude tegen zes hogescholen. Met spijt, zei hij er achteraan, ,,het zijn wel mijn hogescholen''. Eén hogeschool wordt vervolgd.

Het ministerie negeerde volgens de Rekenkamer tientallen aanwijzingen uit het onderwijs over mogelijk misbruik van de subsidieregels. Die regels, zo was keer op keer de teneur, belonen strategisch gedrag omdat ze snel afstuderen van studenten stimuleren. Hogescholen, maar ook universiteiten en mbo-scholen, verzonnen constructies om ook subsidie te ontvangen voor buitenlandse en particuliere studenten.

Actie werd echter vrijwel nooit ondernomen. Al in 1993 waarschuwde de Onderwijsinspectie voor ,,volledige en gedeeltelijke vermenging van commerciële opleidingen met het reguliere programma''. Met andere woorden: de overheid betaalt voor commercieel onderwijs.

Drie jaar later schreef de accountantsdienst van het ministerie aan de directeur hbo dat door de regels van bekostiging ,,ongewenste effecten'' kunnen optreden. Op 29 mei 2000 schreef bestuursvoorzitter N. Verbraak van de Fontys Hogescholen verder een brief aan topambtenaar Zuurmond, waarin hij wees op constructies in het hbo die ,,wij tot voor kort als niet toegestaan beschouwden''. De brief bleef onbeantwoord. En áls het ministerie al onderzoek deed, dan leidde dat tot niets. In 1997 gaf toenmalig minister Ritzen de inspectie en accountantsdienst opdracht om een klein aantal hogescholen te onderzoeken op fraude. De scholen werden er door de directeur van een particuliere school van beschuldigd subsidie aan te vragen voor particuliere studenten.

Pas na twee jaar kwam de accountantsdienst met een rapport, waarin stond dat er geen misbruik is geconstateerd. Maar het rapport stond bol van de tegenstrijdigheden, aldus de Rekenkamer. De scholen werden vrijgepleit, maar de accountants konden niet achter cruciale gegevens komen om die conclusie te staven. Vervolgonderzoek is nooit gedaan.

Het ministerie maakte niet alleen nauwelijks werk van het checken van tips, ook in het dagelijks werk leken ambtenaren zich nauwelijks bewust van de risico's van nieuwe regels. Beleidsdirecties en de departementale accountantsdienst, schrijft de Rekenkamer, toonden hier weinig interesse in. En als de accountants eens een geval van misbruik tegenkomen, leggen zij vrijwel nooit straf op. ,,Bij geconstateerde onregelmatigheden wordt slechts overleg gevoerd''.

    • Guus Valk