Israëls superspion

Superspion Isser Harel, die in 1960 de nazi-oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann uit Argentinië naar Israël ontvoerde, is gisteren op 91-jarige leeftijd overleden.

Deze kleine man met zijn doordringende, koele blik heeft voor en na de stichting van de staat Israël een hoofdrol gespeeld in de veiligheidsdiensten. Harel, die in Polen werd geboren en in 1930 als overtuigd zionist naar Palestina kwam, is de enige Israëliër die gelijktijdig controle heeft gehad over de binnenlandse veiligheidsdienst Shin-Beth en de in het buitenland opererende Mossad. Hoewel hij in 1952 tot hoofd van de Mossad werd benoemd, bleef hij de Shin-Bet controleren waardoor hij onder premier David Ben Gurion een unieke machtspositie bekleedde.

De spectaculaire zoektocht en ontvoering van Eichmann, waarvoor hij in 1957 opdracht kreeg van Ben Gurion, maakte Harel beroemd. Het leverde hem echter ook een levenslange ruzie op met Simon Wiesenthal, die in 1961 een boek schreef over zijn eigen bijdrage aan die speurtocht. Harel moest zwijgen van Ben Gurion en publiceerde pas in 1975 zijn boek The House on Garibaldi Street, waarin hij zijn versie gaf van de onderneming.

Harel werd door Israëlische politici gevreesd omdat hij als lid van MAPAI, de voorloper van de huidige Arbeidspartij, ook hun gangen liet nagaan. Ben Gurion zag zich ten slotte genoopt Harel te ontslaan toen deze een jacht begon op Duitse geleerden, onder wie nazi's, die in Egypte werkten aan een Egyptisch raketprogramma ten tijde van president Gamel Abdel Nasser. Tot woede van bondskanselier Konrad Adenauer werden enkele Duitse geleerden door de Mossad vermoord, hetgeen de verzoeningspogingen tussen Israël en de Bondsrepubliek dreigde te torpederen.

Spanningen tussen Ben Gurion en Harel ontstonden ook toen Harel een naaste medewerker van Ben Gurion ervan verdacht voor de Sovjet-Unie te spioneren. Uiteindelijk bleek Harel het bij het juiste einde te hebben gehad.