`EU-subsidies niet te controleren'

In Brussel en bij de lidstaten van de Europese Unie bestaat onvoldoende helderheid over een juiste besteding van EU-gelden. Dat zegt de Algemene Rekenkamer in een gisteren verschenen rapport.

Het toezicht op de bestedingen is de afgelopen jaren iets verbeterd, maar het blijft volgens de Rekenkamer tekortkomingen vertonen. Een belangrijke complicatie hierbij is dat de Europese Rekenkamer wel toezicht houdt maar zijn bevindingen niet openbaar maakt.

De EU-begroting bedroeg in 2001 96 miljard euro. Nederland droeg daaraan vijf miljard euro bij en ontving op zijn beurt 2,5 miljard euro van `Brussel'. Het grootste deel daarvan, 1,1 miljard, werd besteed aan steun voor de landbouw. Een kleiner deel, 0,2 miljard euro, betrof geld uit de structuurfondsen voor relatief achtergebleven gebieden zoals Flevoland.

Ook de Nederlandse overheid zelf schiet bij het toezicht houden op de uitgaven met geld van de EU tekort, vindt de Rekenkamer. De Nederlandse controle is er vooral op gericht dat op tijd en correct wordt gerapporteerd aan de EU over het verloop van het project. De aandacht gaat veel minder uit naar de vraag of het project zelf wel doelmatig is. De centrale overheid mist bovendien inzicht in de exacte stand van zaken van veel projecten doordat het toezicht hierop grotendeels is gedecentraliseerd.

De demissionaire minister Hoogervorst (Financiën) heeft namens het kabinet in een reactie op het rapport toegegeven dat doorzichtiger moet worden hoe de EU-gelden worden besteed en beheerd. Hij wijst er echter op dat het in de eerste plaats aan de Europese Commissie is om de rechtmatigheid van de bestedingen van EU-gelden per land en per onderwerp openbaar te maken.

In het eveneens gisteren gepubliceerde rapport Resultaten van plattelandsprojecten met Europese subsidie stelt de Rekenkamer dat ministeries en lokale overheden bij besteding van Europese subsidies voor het platteland nauwelijks oog voor de nuttige besteding van deze gelden.

Verantwoordelijke bestuurders hebben vooral aandacht voor het opmaken van deze subsidies. Over de programperiode 1994-1999 was uit de Europese fondsen EOGFL, EFRO en ESF 150 miljoen euro voor het Nederlandse platteland beschikbaar.

Volgens de Rekenkamer is het onduidelijk welke positieve ontwikkelingen in de regio's aan de besteding van dat geld kunnen worden toegeschreven. Over de effecten van de subsidieprojecten is volgens de Rekenkamer weinig informatie beschikbaar.