Chirac heeft de eurosceptici nieuwe munitie gegeven

De Franse president Chirac heeft met zijn kritiek op Oost-Europese landen het wantrouwen groter gemaakt tegen hervormingen binnen de Europese Unie die grote landen meer macht moeten geven, vindt Jiri Pehe.

Op een persconferentie na de EU-top in Brussel heeft de Franse president Jacques Chirac een diplomatieke blunder begaan die niet onderdoet voor de ongelukkige opmerkingen die de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld onlangs maakte over het `oude en nieuwe Europa'. Chirac betichtte de kandidaat-EU-landen van onverantwoordelijk gedrag omdat ze hun steun hebben betuigd aan de poging van de Verenigde Staten om Irak – zonodig – met gebruik van geweld te ontwapenen.

De Franse president sprak van ,,infantilisme'' van de kant van de kandidaat-lidstaten en zei dat ze eerst met de EU hadden moeten overleggen of anders hadden moeten zwijgen. Ook liet hij doorschemeren dat deze landen hun kansen op het EU-lidmaatschap in gevaar hadden gebracht.

De uitspraken van Chirac zijn een enorme bron van mogelijke schade. Veel mensen in de kandidaat-lidstaten zijn er allang van overtuigd dat hun landen niet als gelijken tot de EU zullen worden toegelaten. Hun bezwaren strekken zich uit van de lagere landbouwsubsidies voor de kandidaat-lidstaten tot het nieuwe besluitvormingsprocédé in de EU dat is aangenomen op de top in Nice. Dat procédé wordt door veel mensen gezien als iets wat de macht van de grote EU-leden versterkt, ten koste van de kleine landen.

De publieke opinie over de EU was in sommige kandidaat-lidstaten ook al ambivalent vóórdat Chirac zijn opmerkingen maakte. Nu zal de anti-EU-houding nog sterker worden. Zelfs trouwe aanhangers van het EU-lidmaatschap zouden wel eens kunnen vinden dat hun landen niet als gelijken worden behandeld wanneer ze worden afgebekt omdat hun mening afwijkt van die van een aantal grote Europese landen. In elk geval hebben de eurosceptici nieuwe munitie gekregen om kritiek op de EU te leveren voordat later dit jaar referenda over het lidmaatschap worden gehouden.

Wat Frankrijk en Duitsland niet inzien, is dat de steun voor de VS van de kandidaatlidstaten niet is gericht tegen het `oude Europa'. Het is simpelweg een uiting van dankbaarheid voor alles wat de VS in het verleden hebben gedaan om het communisme ten val te brengen, en voor de veiligheid die ze Oost-Europa hebben geboden door vast te houden aan uitbreiding van NAVO op een moment dat de EU maar niet tot een besluit kon komen over haar eigen uitbreiding.

De kleine landen in Midden-Europa die in hun geschiedenis vaak het slachtoffer van agressie zijn geworden, vinden bovendien dat de VS op het ogenblik de enige echte waarborg voor hun veiligheid zijn. De EU heeft ondanks veel gepraat geen kans gezien om tot een gemeenschappelijk defensiebeleid te komen. De steun voor de VS in de kandidaatlanden berust niet op steun voor een oorlog; de publieke opinie is in alle kandidaatlidstaten tegen een militair ingrijpen in Irak. De kandidaatlidstaten hebben zich gewoon trouw aan de VS betoond op een moment dat de VS dat nodig hebben; zolang er geen Europees veiligheidsstelsel is, denken ze de VS misschien nog wel eens nodig te hebben.

De kandidaatlidstaten zitten tussen twee vuren. Als ze zouden weigeren hun steun aan de Verenigde Staten te betuigen, zouden ze als ontrouw worden gezien door de Amerikanen, op wie ze voor hun veiligheid vertrouwen. Toen ze impliciet weigerden het anti-Amerikaanse standpunt van Frankrijk en Duitsland in de huidige crisis te steunen, werden ze als ontrouw aan de EU gezien.

Maar Chirac verzuimde te vermelden dat de EU niet alleen uit Frankrijk en Duitsland bestaat. En hij durfde voor Groot-Brittannië, Spanje of Italië geen even harde woorden te gebruiken als voor de Oost-Europeanen. Daarom klinken zijn opmerkingen de mensen in de kandidaatlidstaten des te onaangenamer in de oren; ze houden in dat naar de overtuiging van Frankrijk en Duitsland de EU in de eerste plaats bestaat uit hen tweeën, daarna uit de andere huidige leden, en daarna dan nog misschien uit de kandidaatlanden.

De opmerkingen van Chirac hebben overduidelijk gemaakt dat de EU nog een lange weg te gaan heeft voordat ze voldoet aan het ideaal van gelijkheid voor al haar leden. Chirac heeft met zijn uitspraak mogelijk doeltreffend een aantal hervormingen getorpedeerd die op het ogenblik worden besproken in de Europese Conventie en die hadden moeten leiden tot stroomlijning van het besluitvormingsproces in de EU en tot de vorming van instellingen die in feite de landen met een grotere bevolking meer macht zouden geven.

Zulke hervormingen zouden alleen kunnen werken als die grote landen niet voor de verleiding bezwijken om met behulp van dergelijke besluitvormingsprocédés aan de belangen van de kleine landen voorbij te gaan. De opmerkingen van Chirac bewijzen dat de EU nog ver van zo'n ideale stand van zaken verwijderd is.

Jiri Pehe is politiek analist en directeur van de New York University in Praag.