Atlantische traditie moet op de helling

Als Nederland internationaal een rol wil blijven spelen, moet het zich meer richten op Europa dan op de VS, meent H.W. von der Dunk. Dat heeft consequenties voor de opstelling inzake Irak.

Bij de behandeling door het Nederlandse kabinet van de crisis rondom Irak doet zich een nieuw verschijnsel voor: de botsing van twee diep gewortelde tradities van Nederlands buitenlands beleid, te weten de traditie van `internationalisme' ten behoeve van vrede, universele rechtsbeginselen en instituties, en het `atlanticisme', de oriëntatie naar de zee, het westen, Engeland, en na 1945 vooral Amerika, de bevrijder en grote beschermer met zijn atoomschil tijdens de Koude Oorlog.

Dat atlanticisme kan ook anti-continentalisme worden genoemd, en het spoorde in het verleden altijd prachtig met de internationalistische vredestraditie op grond waarvan Nederland zich instinctief, zowel uit welbegrepen eigenbelang als op grond van ethische beginselen, zo lang mogelijk inzette voor vrede en schikking van dreigende conflicten.

Het atlanticisme en anti-continentalisme waren daar allerminst mee in strijd omdat het oorlogsgevaar altijd van de grote continentale mogendheden kwam, eerst ruim twee eeuwen van Frankrijk, toen één eeuw van Duitsland, daarna een halve eeuw van de Sovjet-Unie. Engeland en Amerika waren voor Nederland daarom de verkapte of openlijke beschermers. Waar nog bijkwam dat juist zij, vooral de VS, tevens op de bres stonden voor een internationale rechtsordening tegen agressie, zoals Volkenbond en VN.

Oude dreigingen en herinneringen kunnen echter nog lang als lege verschrompelde slangenhuiden in de onderbuik van een samenleving rond spoken. Indien Nederland na 1945 de Europa-gedachte huldigde en via de Benelux zelfs tot de oprichters behoorde, dan was dat niet in strijd met het atlanticisme, want een vereniging van (West-)Europa werd juist door Amerika bevorderd en had de functie zowel om Duitsland voorgoed onschadelijk te maken als de Sovjet-Unie buiten de deur te houden: met andere woorden de vijand uit het recente verleden en die van dat ogenblik.

Hoe sterk echter binnen dat nieuwe Europa het atlanticisme Nederlands ware richtsnoer bleef, bleek bij onze inzet voor Engelands toetreding onder meer tegen De Gaulle, en de telkens weer even oplevende benauwdheid voor een Frans-Duits overwicht. Het bleek nog méér bij de onverminderde volgzaamheid ten aanzien van de VS, die altijd nog boven de solidariteit met de Europese buren stond zodra het kritiek werd. Zoals ook thans.

Nederlands europeïsme was en is ietwat kunstmatig. Daarom viel en valt velen hier de (natuurlijk onbetwistbare) constatering dat Europa zo moeizaam functioneert, geen daadkracht en eenheid vertoont, niet zo erg zwaar. Des te onbezwaarder denkt Den Haag zich immers los te kunnen maken om zich op Washington te blijven richten, dat zo veel daadkracht vertoont. Maar allerminst uit verwante hunkering naar daadkracht. Eerder uit de eveneens diep ingebakken angst voor risico dat aansluiting bij een afwijkende Europese koers meebrengt.

De ondertoon van heftige verontwaarding bij onze atlanticisten dat Frankrijk, Duitsland en België nu dwars durven liggen ten aanzien van Bush' Amerika spreekt boekdelen. Maar, nogmaals, de tegenstanders van de ramkoers van Bush c.s. vertolken wél de mening en gevoelens van de meerderheid van de Europese bevolkingen en zelfs van zijn Amerikaanse critici.

Dit anti-Amerikanisme te noemen is even dom als kritiek op Sharon als antisemitisme te bestempelen. Over de rampzalige gevolgen van een oorlog voor bijvoorbeeld de verhouding tussen het westen en de islamitische wereld, allochtonen en autochtonen, het Israëlisch-Palestijnse conflict, is ook hier het nodige gezegd.

Ik heb van de voorstanders van een oorlog geen enkele overtuigende weerlegging gehoord, behalve de steeds weer herhaalde mantra dat Nederlands plaats nu eenmaal in alles achter Amerika is. Maar Nederland ligt – hoezeer dat sommigen mag spijten – in Europa en in de toekomst van een snel veranderende wereldconstellatie steeds méér. Het kan trouwens alleen binnen Europa nog een zij het bescheiden rol spelen, voor Amerika is het al lang een nul.

En het Amerika van Bush de zoon is nu even niet het Amerika van Roosevelt, zelfs niet van Bush de vader, van de bevrijders van 1945 of de beschermer tegen een andere atomaire supermacht. Evenmin als Saddam een Hitler is. Een wreed dictator was hij al als bondgenoot van Amerika en dat zijn vernietiging (hoe wenselijk ook) tot een democratie zal leiden, is onwaarschijnlijk. Dat een oorlog het terrorisme in de kaart zal spelen is dat allerminst. In deze constellaties is onze oude atlantische traditie niet meer het betrouwbare kompas om op te varen en zich achter te verschuilen.

Prof. dr. H.W. von der Dunk is emeritus hoogleraar Geschiedenis na 1870 aan de Universiteit Utrecht.