Tips voor het schrijven van een grafrede

`Ten grave!' heet het februarinummer van De Gids, maar het is gelukkig niet zo dat dit oudste literaire tijdschrift van Nederland hiermee zijn naderende dood aankondigt. Nee, dit aan begrafenistoespraken gewijde nummer preludeert op de komende boekenweek, waarvoor het thema `Styx – leven en dood in de letteren' is gekozen. Dertig Nederlandse en Belgische auteurs hebben desgevraagd een grafrede geschreven voor bewonderde of gehate, werkelijke of fictieve, dode of levende schrijvers, denkers, politici, romanpersonages of andere figuren.

In de inleiding geeft Gids-redacteur Maarten Asscher enkele nuttige wenken. Twee dingen moet je volgens hem nooit doen in een grafrede: steeds over jezelf spreken (,,Ik herinner mij nog goed dat ik in 1971 – ik was toen juist benoemd als...'') en tegen de kist praten (,,daar lig je dan, Piet''). Je moet je, aldus Asscher, richten tot de nabestaanden en de overige aanwezigen. Vreemd genoeg zijn er maar weinig auteurs die zich aan deze graf-etiquette houden. Rudi Wester, directeur van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds luidt de in 1992 overleden Algirdas Greimas, redacteur van het Franse tijdschrift Tel Quel uit, en maakt al in de eerste zin de twee fouten waarvoor Asscher in zijn inleiding waarschuwt: ,,Om maar met de deur in huis te vallen – en dat is maar het beste bij een zo plechtige aangelegenheid als deze: ik heb u gehaat en bewonderd.'' Tomas Ross schrijft over prinses Juliana: ,,Voor mij bent u altijd koningin gebleven, ondanks het feit dat uw oudste dochter alweer decennia en met ijzeren hand de scepter zwaait. Vast en zeker komt dat omdat ik drie was toen u op 6 september 1948 werd ingehuldigd, en vijfendertig toen u ermee stopte. De vormende jaren. De mijne welteverstaan.'' Tja, daar hebben de nabestaanden iets aan.

Een andere fout is het eenzijdig belichten van de overledene. Daaraan bezondigt Willem Oltmans zich in zijn scheldpartij tegen de omstreden minister van buitenlandse zaken Joseph Luns, die zoals bekend zijn broer liet opdraaien voor zijn NSB-lidmaatschap. Zo'n afscheidswoord moet eleganter kunnen, vileiner ook, maar de kunst om iemand het graf in te prijzen verstaat vrijwel niemand. De ideale grafrede in dit Gidsnummer schreef architect Wiek Röling voor zijn collega J. Duiker (1890-1935). Hij doet zich voor als een oudere vakbroeder, spreekt keurig in de derde persoon, richt zich beleefd tot de nabestaanden en voert alleen zichzelf op als hij een anekdote te vertellen heeft die een bijzonder licht op de overledene werpt. Het resultaat is een even eloquente als informatieve necrologie. Opmerkelijk is verder, vlak na de dood van het schaap Dolly, de lijkrede van natuurkundige Frans Saris voor de springlevende stier Herman, icoon van de Nederlandse biotechnologie. Saris pleit ervoor dat als Herman ons komt te ontvallen wij hem niet begraven maar opzetten. En dan is er nog een afscheidsrede van Trouw-redacteur Jaffe Vink aan 2002 (`Jij was zo populair'), waarin hij de belangrijkste gebeurtenis van dat jaar in Nederland, de moord op Pim Fortuyn, vergeet te vermelden.

De Gids, 166ste jaargang, nr. 2, febr. 2003. Uitgeverij Meulenhoff, €7,75