Ruimtelijke problemen worden vergeten

Een nieuw kabinet moet de ruimtelijke problemen oppakken en ook als zodanig benoemen, vindt Wim Derksen. Tien onderwerpen moeten daarbij prioriteit krijgen.

Het gaat niet goed met de ruimtelijke ordening in Nederland. De Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening van het tweede kabinet-Kok heeft de finish nooit gehaald en lijkt al weer vergeten. Bij de formatie van het kabinet-Balkenende was het ministerie van VROM impopulair; het CDA, dat in Pieter van Geel een overtuigende ministerskandidaat in huis had, gaf zelfs de voorkeur aan Landbouw. De belangrijkste ruimtelijke problemen worden vergeten of afgedaan binnen de eigen sectorale kaders. Een helder ruimtelijk integratiekader ontbreekt.

Hoe kan een samenhangend ruimtelijk beleid zo afwezig zijn, terwijl het beleid van vele departementen ruimtelijke consequenties heeft? Het ministerie van VROM wordt geacht hiervoor een integratiekader te ontwikkelen. Maar de meeste departementen willen graag zonder bemoeienis van VROM hun werk doen. Dat ligt niet alleen aan die departementen. De ruimtelijke ordening heeft zich vervreemd van de bestuurlijke en maatschappelijke realiteit. De ruimtelijke wereld wordt nog gedomineerd door een, lofwaardig maar achterhaald, streven om de maatschappij anders te ordenen, om mensen `met elkaar in contact te brengen' en om bepaalde groepen nieuwe maatschappelijke kansen te bieden. De ruimtelijke ordening is nog te top-down, te normatief en te zeer vanuit een maakbare samenleving gedacht.

Waar fnuikt zich dat? Welke ruimtelijke onderwerpen krijgen momenteel te weinig aandacht? Welke ruimtelijke problemen worden te zeer vanuit het `eigen' departement en te weinig in samenhang benaderd? Ik geef er tien. Het volgende kabinet zou er goed aan doen om geen hoogdravend programma te formuleren voor ruimtelijke kwaliteit, maar om deze tien problemen vanuit een ruimtelijk kader te bezien.

1. De internationale concurrentiepositie van Nederland.

Die vraagt een helder ruimtelijk antwoord. Waarin wil Nederland internationaal uitblinken? Wat wil Nederland met de landbouw en met de glastuinbouw? Hoe positioneert Nederland zich tussen Londen en Frankfurt? Welke verbindingen moeten in dit mondiale perspectief worden verbeterd? Is een volwaardige HSL naar Duitsland niet veel belangrijker dan een Zuiderzeelijn zonder achterland? En als de Deltametropool, ook wel bekend als de Randstad, internationaal moet meetellen, wordt het dan niet hoog tijd het wegennet én de treinverbindingen in dit gebied aanzienlijk uit te breiden?

2. De `mainports'.

Schiphol en Rotterdam zijn van groot belang voor de economie van Nederland. Schiphol kan zijn voorsprong als belangrijke internationale luchthaven gemakkelijk kwijtraken zonder zesde en zevende baan. Het onderwerp lijkt in Den Haag niet te leven; de Vijfde Nota wijdde slechts één zin aan het probleem. Tegelijkertijd wordt op dit moment driftig gebouwd in de aanvliegroute van die twee banen. Willen we de economische groei van Schiphol, dan moeten we ons daarop daadwerkelijk voorbereiden.

3. De verrommeling van Nederland.

In snel tempo groeit het open gebied van Nederland dicht met bedrijven, motorcrossterreinen, golfbanen, recreatieparken, evenemententerreinen, opslag van caravans, autowrakken, vuile grond en vooral veel woningen; tot ergernis van vele Nederlanders. Het is vooral een kwestie van gebrek aan moed om politieke keuzen te maken op die plekken waar dat werkelijk nodig is. Daarnaast bedient de ruimtelijke ordening zich van verouderde concepten als `stad' en `land', terwijl de verklontering in het westen van Nederland laat zien dat die begrippen niet meer behulpzaam zijn bij het (waar nodig!) openhouden van de ruimte, bij het beschermen van de natuur en van het Nederlandse cultuurlandschap, en vooral bij het creëren van een gevarieerde ruimte.

4. Mobiliteit.

De discussie versmalt zich tot het wel of niet invoeren van rekeningrijden. Maar problemen met de mobiliteit hangen evenzeer samen met de ruimtelijke inrichting van Nederland. Door op andere plekken nieuwe woningen en bedrijven toe staan, kan een `rondje Randstad' rendabel worden. En het gaat verder: we hebben behoefte aan een ruimtelijke visie op een mobiele samenleving. Welke geografie past bij een samenleving waarin vluchtigheid de boventoon voert?

5. Het Groene Hart.

De metafoor van het Groene Hart, geen natuurgebied maar een restgebied tussen de grote steden met enkele beschermenswaardige natuur- en cultuurgebieden, is haar eigen leven gaan leiden. Daardoor wordt voor veel geld een tunnel aangelegd voor de HSL Zuid onder een morsig gebied waarin een goed ontworpen spoorbaan een impuls had kunnen geven aan de geringe ruimtelijke kwaliteit. Overigens begint de metafoor haar kracht te verliezen: het Groene Hart groeit harder dan de rest van Nederland. Het wordt dus tijd om een meer eigentijdse visie op dit gebied, in samenhang met de hele Deltametropool, te ontwikkelen.

6. De sociale segregatie in de grote steden.

Met het wegvallende onderscheid tussen stad en land worden `stedelijke' functies niet meer per definitie aan de `oude steden' toebedeeld. De `oude steden' zijn bij de nieuwe verdeling van functies onder meer de concentratiegebieden geworden voor allochtonen, werkloosheid en onveiligheid. Dit vraagt om een enorme kwaliteitsimpuls voor de daar aanwezige woningmarkt én om een beleid dat mensen niet gevangen houdt in armoedewijken. Terwijl de politiek debatteert over een verplicht spreidingsbeleid voor allochtonen, zijn de laatsten meer geholpen met een beleid dat een doorstroming naar betere wijken mogelijk maakt.

7. Nederland waterland.

Klimaatveranderingen doen het water stijgen, zowel in de zee als in de rivieren. Het creëren van nood-overloopgebieden voor de rivieren zal niet voldoende zijn. De verdediging van de kust verdient een nieuw paradigma: kustverlenging, na een eeuw van kustverkorting. Woongebieden moeten in het perspectief van het stijgende water worden gekozen. Overigens: we dreigen niet alleen te verzuipen, maar ook te verdorsten. De drinkwatervoorraad is immers niet voor de langere termijn gegarandeerd.

8. Duurzaamheid.

Dit is de metafoor voor een zorgvuldig omgaan met hulpbronnen, met de natuur. We zijn internationale verplichtingen aangegaan voor de biodiversiteit, die nog niet worden nagekomen. Dit vraagt ook meer dan het inzetten van boeren voor een `ecologische hoofdstructuur'. Bovendien heeft Nederland zijn bijdrage te leveren aan de behoefte aan duurzame, goedkope en betrouwbare energie. Welke ruimtelijke consequenties zijn daar te verwachten?

9. Buitenlandse migratie.

Voorlopig wordt het aantal asielzoekers ingedamd. Maar vraagt de vergrijzing niet om een nieuwe stroom aan arbeidsmigratie? Welke effecten heeft de uitbreiding van de EU op de migratiestromen binnen Europa? Welke behoefte aan woningen is in dit licht te verwachten? En welke ruimtelijke keuzes worden in dit verband gemaakt?

10. De woonwensen van burgers.

Er is een steeds grotere spanning tussen de collectieve woningbouw en de behoefte van burgers om hun eigen gang te gaan. Is het niet tijd om nieuwe dorpen te bouwen, waar mensen zich geborgen en veilig voelen? Is het niet tijd om op te houden met het `vervinexen' van Nederland? Is het niet tijd om de bouw aan te passen aan de andere levensloop van mensen? En is het uitgaan van de belangen van burgers niet een prachtige kans om een nieuwe, democratische invulling te geven aan het ruimtelijk beleid?

Prof. dr. Wim Derksen is directeur van het Ruimtelijk Planbureau