Richelieu's wonderlijke tweeslachtigheid

Zijn bijnaam `éminence grise' valt maar één keer in de expositie. Kardinaal Armand Jean du Plessis, hertog van Richelieu verschijnt in een schilderij van Jean-Louis Gérôme uit 1873 als grijze eminentie. Gekleed in een grauwe franciscaner pij met sandalen daalt de oude Richelieu de brede trap af van zijn Parijse kardinaalspaleis. Verzonken in zijn brevier, lijkt hij niet onder de indruk van de pracht en praal om hem heen, en niets te merken van de omstanders terzijde, die hun hoeden afnemen en revérences maken. Het contrast tussen de onverstoorbare prelaat en de macht die hij uitstraalt, is tekenend voor de positie van kardinaal Richelieu (1585-1642) in het zeventiende-eeuwse Frankrijk. Als eerste minister van koning Lodewijk XIII had hij op de achtergrond de touwtjes stevig in handen.

Het schilderij van Gérôme hangt in een afdeling die, met werken die de receptie van Richelieu's persoon in de negentiende-eeuwse kunst illustreren, het staartje vormt van de expositie in Keulen. Het hoofdonderwerp van de tentoonstelling is de rol die Richelieu heeft gespeeld voor de beeldende kunst van zijn tijd. En ook daaruit blijkt een wonderlijke tweeslachtigheid in zijn persoonlijkheid.

Richelieu werd in 1585 geboren in een verarmd adellijk milieu en maakte in de eerste jaren van de zeventiende eeuw razendsnel een kerkelijke carrière. In 1607 werd hij, op 21-jarige leeftijd, tot priester en bisschop gewijd en nog datzelfde jaar behaalde hij zijn doctorstitel in de theologie aan de Parijse universiteit. Met de koninklijke familie raakte hij verknoopt toen hij huiskapelaan werd van de koningin, benoemd werd tot minister en bemiddelde in een conflict tussen koning Lodewijk XIII en diens moeder Maria de'Medici. In de jaren daarna verzamelde Richelieu een indrukwekkend boeket van kerkelijke en staatsfuncties, die hem feitelijk tot de machtigste man van Frankrijk maakten.

Portretten van Richelieu, bijvoorbeeld door zijn favoriete schilder Philippe de Champaigne, tonen de status van de kardinaal. Ze beelden hem af op een manier die doorgaans aan vorsten was voorbehouden: levensgroot, ten voeten uit en steevast behangen met de versierselen van de exclusieve vorstelijke orde van de Heilige Geest.

Een dergelijk portret moet ook hebben gehangen in de `Galerie des hommes illustres' die Richelieu in zijn paleis had laten inrichten en waarvan een groot deel van de overgebleven schilderijen in de tentoonstelling te zien is. Daar hingen schilderijen van belangrijke lieden en grote geesten uit de geschiedenis van Frankrijk. Jeanne d'Arc was erbij, net als de legeraanvoerder Gaston de Foix en de recente monarchen Hendrik IV en Lodewijk XIII. En dus ook Richelieu zelf, als trouw vazal van de koning. Maar kennelijk was hij ook niet vies van zelfverheerlijking: recht tegenover zijn portret hing dat van de beroemde twaalfde-eeuwse abt Suger van Saint-Denis, die net als Richelieu geestelijke en minister was, en vertrouweling van een koning.

Richelieu's bemoeienis met de bouw van paleizen en kerken blijkt uit ontwerptekeningen van bijvoorbeeld Jacques Lemercier voor de kerk van de Sorbonne en voor nieuwbouw aan het Louvre. Maar de schilderijen ter decoratie van die gebouwen die Richelieu bestelde, of waar hij bij betrokken was, zijn de blikvangers in de mooie expositie. Omvangrijke religieuze of allegorische werken, door meesters als Nicolas Poussin, Simon Vouet en Jean Lemaire, kenmerken zich door een heldere, classicistische stijl. Vaak bevatten de werken verwijzingen naar de grootheid van Frankrijk en zijn koningshuis, zoals in Vouets Apotheose van de Lodewijk, de heilig verklaarde voorzaat van Lodewijk XIII, of, in voorstellingen van mythologische helden als Hercules, naar voorbeeldige deugdzaamheid in het algemeen.

Stijl en de thematiek van zulke werken verraden de didactische en propagandistische intenties van Richelieu, die goedbeschouwd helemaal niet zo'n groot kunstliefhebber was. De kwaliteit van kunstwerken die hij bezat liep nogal uiteen en zijn slaapkamer, de enige plek in zijn paleis waar de staatszaak niet op de eerste plaats kwam, was karig ingericht. Die wetenschap maakt Louis Gérômes schilderij van de grijze eminentie begrijpelijker, en maakt begrijpelijk wat Richelieu zag in een magnifiek schilderij van Georges de la Tour. Het toont de boetvaardige Hiëronymus die, knielend en goeddeels ontkleed, zijn oude lichaam met een koord kastijdt. Achter hem ligt de kardinaalshoed waarmee Hiëronymus wordt geïdentificeerd, als voorbeeld bij uitstek voor een meer verborgen Richelieu: kardinaal, geleerde en rigoureus boeteling.

Tentoonstelling: Richelieu (1585-1642); Kunst, Macht und Politik. Wallraf-Richartz Museum, Martinstrasse 39, Keulen. T/m 21/4, di 10-20u, wo t/m vr 10-18u, za en zo 11-18u.

Cat. Richelieu Kunst, Macht und Politik. Uitg. Snoeck Ducaju,€ 34. Inl: 0049-221-22122373 of www.museenkoeln.de

Gerectificeerd

Éminence grise

In het artikel Richelieu's wonderlijke tweeslachtigheid (18 februari, pagina 10) staat dat `éminence grise' een bijnaam was van kardinaal De Richelieu. Deze bijnaam was echter van diens secretaris, de kapucijner pater Joseph Le Clerc de Tremblay (1577-1638).