Op straat

We gaan de deur uit en al na een paar stappen op straat hoor ik iemand achter me zeggen: ,,Laten we een beetje inhouden, zodat het niet lijkt alsof we daarbij horen.''

Het familielid dat ons heeft afgehaald om naar de demonstratie te gaan heeft op het stationsplein een geel bordje gekregen waarop in het Nederlands en het Arabisch de oorlog tegen Irak wordt afgekeurd. Een fluitje en een ratel komen geloof ik uit zijn eigen verzameling. Als demonstrant heeft hij meer ervaring dan ik en hij heeft ook geen last van de nuffige pudeur die maakt dat ik mezelf bekijk met de ogen van de mensen achter me. Je demonstreert of je doet het niet, vindt hij, en verder geen gezeur.

De Dam is te klein voor onze menigte en hoewel we ons aan het begin verstandig aan de buitenrand van de massa hebben opgesteld, staan we na een tijdje klemvast. Straks kunnen we weer lopen, maar nu moeten we naar de toespraken luisteren.

Wat me niet bevalt zijn de sprekers die zeggen: ,,Natuurlijk moet Saddam weg, maar niet op deze manier.'' Alsof ze een andere manier dan oorlog bij de hand hebben om hem te verwijderen. Wie tegen de oorlog is moet aanvaarden dat Saddam voorlopig blijft waar hij is, en niet doen alsof alle goede dingen tegelijk in de aanbieding zijn, vind ik.

Ik heb wel eens nauwkeurige beschrijvingen gelezen van de gevolgen van een bombardement en hoe de slachtoffers er dan uitzien. Die dingen kan je eigenlijk beter niet lezen.

In het laatste nummer van The New York Review of Books schrijft Charles Simic over het militaire concept van de komende oorlog, dat Shock and Awe wordt genoemd. Op de eerste dag zullen evenveel kruisraketten worden afgevuurd als in de hele vorige Golfoorlog. Een van de bedenkers van het concept zegt: ,,Zodat je dat simultane effect krijgt, ongeveer zoals met de nucleaire wapens in Hiroshima, niet in weken of dagen, maar binnen minuten.'' Dat is de korte, schone oorlog die ons wordt voorgehouden.

We komen in beweging, maar in de drukte ben ik intussen mijn gezelschap kwijtgeraakt. ,,Hebt u misschien een kleine man met een geel bordje en een ratel en een fluitje gezien?'' Nee, dat lukt hier niet.

Via een omweg kom ik aan het hoofd van de stoet en dan loop ik een tijdje tegen de stroom in, maar ook op die manier vind ik ze niet. Wel heb je zo een goed overzicht op de banieren die worden meegedragen. `Balkenende molenaar' staat op een spandoek en ik bedenk dat je wel heel oud moet zijn om dit aan de jongeren onder de demonstranten uit te kunnen leggen. Ik vermoed een ironicus achter de leuze, die verbaasd is zichzelf na zo'n veertig jaar weer eens in een stoet te zien.

Ondertussen ben ik toch maar weer de goede kant op gaan lopen en als we in de Marnixstraat zijn – het klinkt als een gewrochte kunstgreep, maar het was nu eenmaal zo – zie ik collega Abrahams lopen, aan de overkant van het grachtje en tegen de stroom in, zoals het een onafhankelijk waarnemer betaamt.

Hij houdt niet van de stelligheid van de demonstranten, las ik gisteren. Jammer dat er geen borden waren met teksten als `Enerzijds, anderzijds!' en `Zoek de nuance!', dan had hij misschien meegelopen.

Met die orkestjes en soms grappige leuzen geeft de demonstratie een vrolijk gevoel en je gaat bijna denken dat het misschien zal helpen, zeker als je later op de televisie ziet hoe het in Londen toeging. ,,Als Blair nu eens door de knieën zou gaan en Amerika in feite alleen staat...''

Ja, wat dan? Al een jaar geleden zei Condoleezza Rice dat dat jammer zou zijn, maar de plannen niet zou verstoren.