Ontwikkelingshulp moet, juist nu

Voor de armste landen is hulp nog steeds onmisbaar omdat marktwerking daar tekortschiet. Om ontwikkelingssamenwerking zo effectief mogelijk te laten verlopen, moet er weer een minister komen, vindt Agnes van Ardenne.

Ontwikkelingshulp moet verstandiger worden aangepakt. En dat is niet alleen een kwestie van geld, hoe belangrijk de 0,8 procent als fatsoensnorm ook is. Piet Emmer betoogde dan ook terecht op deze pagina (8 februari) dat ontwikkelingslanden afzetmogelijkheden verliezen door hoge invoerrechten in de EU en andere rijke landen. En hij had ook gelijk dat landbouwbeleid de kansen van arme boeren elders in de wereld frustreert. En ook wordt het tijd, zoals hij stelt, dat we in ons migratiebeleid meer rekening houden met de belangen van de ontwikkelingslanden.

Emmer stelt voor de herstructurering van niet-lonende bedrijfstakken te financieren uit de ontwikkelingshulp. Het is een merkwaardige gedachte om het geld dat bestemd is voor armoedebestrijding te gebruiken voor subsidies in de rijke landen. Maar een eerlijker stelsel van internationale handelsregels en handelsbeleid, met meer ruimte voor marktwerking, zou zonder meer een zegen zijn voor de arme landen.

Daarom is het beter een minister voor Ontwikkelingssamenwerking te hebben in plaats van een staatssecretaris. Want het gaat om overleg op hoog niveau, zowel binnen Nederland als daarbuiten. Gelukkig zien de formatieonderhandelaars van CDA en PvdA dat in.

Nog afgezien van de magere resultaten op dit deel van de ontwikkelingsagenda (het mag onszelf blijkbaar niet al te veel kosten), is het een illusie te denken, zoals Emmer kennelijk doet, dat met een beter beleid in de rijke landen de armoede als vanzelf zal verdwijnen. Een beter internationaal beleid leidt wel tot meer kansen voor armen, maar vervolgens moeten die armen ook in staat zijn die kansen te grijpen. Dat is vaak niet zo.

Veel oorzaken van armoede liggen in de ontwikkelingslanden zelf en moeten daar ook worden aangepakt. Meer marktwerking in arme landen zelf zou een flinke stap vooruit kunnen betekenen, ook voor de armste bewoners van die landen. Dat gebeurt niet automatisch. Markten kunnen alleen goed functioneren als aan minimale randvoorwaarden is voldaan.

Allereerst stabiliteit, want landen in oorlog en wanorde zijn vrijplaatsen voor smokkel, wapenhandel en andere illegale praktijken van louche krijgsheren en hun zakenpartners in de westerse wereld – duurzame economische ontwikkeling hoef je in die landen niet te verwachten. Maar er is veel meer nodig: een kadaster dat eigendomsrechten op grond vastlegt; havens, spoorlijnen en wegen – ook naar de meer afgelegen gebieden – om goederen af en aan te kunnen voeren; een geschoolde en gezonde bevolking; een vrije pers, een sterk parlement en een rekenkamer om controle uit te oefenen op besteding van publieke gelden; een monetair beleid dat inflatie helpt voorkomen.

Het benodigde geld voor deze maatschappelijke investeringen kunnen de armste landen niet uit eigen besparingen financieren. Ze hebben ook geen toegang tot de internationale kapitaalmarkt om aan geld te komen. Het stimuleren van private investeringen in ontwikkelingslanden is absoluut nodig, maar ook deze kapitaalbron kan niet de publieke gaten vullen. Onderwijs en gezondheidszorg bijvoorbeeld hebben een groot maatschappelijk rendement. Maar vrijwel overal steunen deze sectoren op publieke middelen. Hetzelfde geldt voor veiligheid, stabiliteit en het juridisch apparaat. Daarom is buitenlandse hulp vooralsnog onmisbaar.

Wel mag de vraag gesteld worden waar en hoe die hulp het meest effectief kan worden ingezet. In een ideale wereld is dat eenvoudig. Regeringen van ontwikkelingslanden maken in die ideale wereld de beste keuzes voor de toekomst van hun land en hun landgenoten en het geld komt automatisch goed terecht. In de echte wereld ligt dat gecompliceerder. Vriendjespolitiek, corruptie, mismanagement en incompetentie kunnen de beoogde heilzame effecten van de hulp in de weg staan – en dat gebeurt vaak ook.

Daarom is het zo belangrijk hulp te richten op de armste landen die redelijk worden bestuurd of waar de trend daarheen positief is. In zulke landen draagt hulp meetbaar bij aan vermindering van armoede. In landen met een redelijk bestuur en beleid dragen de buitenlandse euro's eraan bij dat meer kinderen naar school kunnen, dat de welvaart toeneemt, dat er minder mensen onder de armoedegrens bivakkeren en dat het investeringsklimaat in zo'n land verbetert. Zelfs de regering–Bush – die zich consequent verzet tegen te veel overheid en te weinig markt – verhoogt de hulp aan goed presterende landen volgend jaar met twee miljard tot achttien miljard dollar.

Emmer voert onder meer de weigering van Indonesië in 1992 om nog langer Nederlandse hulp te ontvangen aan als bewijs van het geringe economische belang van de hulp. Want anders had Indonesië die hulp toch nooit van de hand gewezen. Dat is een onjuiste gevolgtrekking. De opmerkelijke stap van Indonesië illustreert vooral dat ontwikkelingssamenwerking en buitenlands beleid niet los van elkaar staan, net zo min als economie en politiek. Maar Indonesië heeft zijn buitenlandse donoren altijd zeer gewaardeerd en de internationale hulpstroom naar Indonesië is altijd op peil gebleven, ondanks het tijdelijk wegvallen van Nederland. Ook Nederland is in 1998 weer met open armen ontvangen en er zijn de afgelopen jaren goede resultaten geboekt met de hulp.

Navrant is dat het aantal armen in Indonesië eind vorige eeuw desondanks door de Aziatische crisis sterk is toegenomen van elf procent in 1997 naar twintig procent in de jaren erna. Inmiddels is het percentage weer snel aan het dalen. Volgens de meeste deskundigen was de Aziatische crisis vooral toe te schrijven aan een te snelle liberalisering van de kapitaalmarkten in Zuidoost-Aziatische landen. Eens te meer een bewijs dat marktwerking niet het hoogste goed op aarde is, maar dat hulp en handel hand in hand horen te gaan, aansluitend bij een verstandig beleid in arme en in rijke landen.

www.nrc.nl artikel Emmer

Agnes van Ardenne is staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking.