In naam van de veilige samenleving

Colonel Pickering koopt op straat wat ruikertjes bij een arme bloemenverkoopster. De handelaarster, Eliza Doolittle, vergeet hem de bloemen te overhandigen. Dat komt omdat ze wordt afgeleid door de opmerking van een van haar buurtgenoten. Deze maakt haar er fluisterend op attent dat een chique heer zich achter een pilaar heeft opgesteld en alles noteert wat Eliza zegt. ,,Takin down evry blessed word youre saying''. Eliza wordt woedend. Ze is, zo schreeuwt ze naar de omstanders, een ,,respectable girl. Well, Im makin an honest living. Im a good girl, I am!''

De paniek van de heldin uit My fair lady is komisch. Maar waarom schrikt ze zo van de excentrieke professor Higgins, die slechts geïnteresseerd is in haar bizarre straatverkoopstersaccent? Verkoopt zij de bloemen soms illegaal en is zij bang voor een bekeuring? Nee. Met de angst van de bloemenverkoopster verwees G.B. Shaw – die in 1916 het toneelstuk Pygmalion publiceerde waarop My fair lady is gebaseerd – naar de angst van veel Engelse vrouwen voor de gevolgen van de verschillende sinds 1864 ingevoerde `Contagious Diseases Acts'. Deze wetten waren bedoeld om een groot probleem van de Victoriaanse samenleving aan te pakken, te weten de besmetting van hoerenlopers met geslachtsziekten. Het probleem was dat eerbare heren na hun bezoek aan een prostituee niet alleen zelf ziek werden, maar de aandoening aan hun echtgenote doorgaven, en op die manier ook aan het nageslacht.

Een grotere bedreiging was nauwelijks denkbaar voor een op een strikte burgerlijke moraal en daaraan gekoppelde gezinswaarden gebaseerde maatschappij. Bij wet werd daarom bepaald dat prostituees aan een gedwongen medisch onderzoek mochten worden onderworpen. Als ze met een geslachtsziekte besmet waren, volgde een gedwongen opname in een ziekenhuis voor de periode van minimaal drie maanden. Voor hoerenlopers gold de wet niet, daar de heren dit als een lichamelijke vernedering zouden ervaren. Publieke vrouwen zouden, zo dacht men, van dergelijke gevoelens geen last hebben.

Men zou denken dat Eliza zich als `good girl' om die wetten geen zorgen hoefde te maken. Maar dat klopt niet. Vrouwen die zich aan de onderkant van de maatschappelijke ladder bevonden, afwijkend gedrag vertoonden of zich naar de smaak van de samenleving te veel in het openbaar begaven, werden met de wet in de hand beschuldigd van prostitutie. Het was maar hoe je werd ingeschat door de dienders. Als je in hun ogen niet `respectable' was, werd je onder het mom van werken aan een veiliger samenleving ruw van de straat geplukt en moest je je geslachtsdeel tonen en laten bevoelen door artsen en politiemannen. Bleek je later geen prostituee, niet besmet en zelfs nog maagd, jammer dan. `Better safe than sorry'.

Dat laatste doet het ook goed als motto in de hedendaagse Nederlandse samenleving. Het is nu niet het spook van de syfilis dat rondwaart in de angstige harten van het volk en daarmee als item in de hoofden van bestuurders, maar het spook van geweld en onveiligheid. Om dit maatschappelijk demon te bezweren, kiest men steeds vaker voor die negentiende-eeuwse oplossing: preventief fouilleren. Vooralsnog in van te voren aangewezen `veiligheidsrisicogebieden' zoals de assen van het grootstedelijk kwaad, de Nieuwe Binnenweg en de Tarwewijk te Rotterdam en de Lange Niezel te Amsterdam. Daar blijft het niet bij als het aan het CDA ligt. Preventief fouilleren moet volgens deze partij ook mogelijk worden in het openbaar vervoer en langs de snelweg. De burger schijnt daar ook nog begrip voor te hebben, zoals in Amsterdam bleek tijdens een half uurtje preventief fouilleren op het Bijlmerplein. Er was dan ook een geruststellende informatieve folder uitgedeeld.

Kennelijk is de angst voor geweld zo groot dat de meeste Nederlanders er geen probleem in zien zichzelf en hun eigendommen te laten betasten. Ze vinden het niet erg om hun lichaam, de binnenkant van hun dijen en het textiel boven hun bustehouderbandjes te laten aanraken door mensen die je in sommige gevallen niet eens op zes meter afstand in je buurt wil hebben. Wat een intens sneue lafaards. Wat een zielig volk van suffe angsthazen. Als je niets te verbergen hebt is het toch niet erg, zei in een Rotterdamse in een van de onvermijdelijke dieptreurige straatinterviews waarin de stem en de zielenroerselen van het `gewone volk' niet alleen een plaats krijgen, maar ook nog eens, zoals tegenwoordig steeds vaker, worden gepresenteerd als gezonde Hollandse logica en waardevolle argumenten in discussies.

Nou mevrouw, misschien heeft u zo'n oninteressant en eenzaam leven dat u het geen probleem vindt om op ieder willekeurig moment van de dag de kans te lopen door die gezellige buurtagenten zachtjes maar beslist over de schouders gestreken te worden. Misschien hoopt u er zelfs stilletjes op en waagt u zich daarom meerdere malen per dag op de gevaarlijke straat om zo verdacht mogelijk op weg te gaan voor een halfje wit. Zonder succes waarschijnlijk, want uw wanstaltige roze legging, slecht geblondeerde haar, uw kettinkje met uw bij dit ensemble uitstekend passende voornaam (dat u waarschijnlijk draagt om de legitimatie te vergemakkelijken) en uw olijke, besnorde spierbundel maar gouden jongen van een vriend, zijn niet verdacht, al is dat vanuit esthetisch oogpunt bezien buitengewoon merkwaardig. Maar dat is een ander verhaal.

Nee, het zijn uiteraard de mensen waarover het gevoel bestaat dat zij door het betreden van de publieke ruimte een gevaar vormen, die zich keer op keer zullen moeten laten fouilleren. De mensen die in het gedrochtelijk collectief bewustzijn van het Nederlandse volk gelijkstaan aan gevaar, geweld en onveiligheid. Gedacht kan worden aan Marokkanen, Turken en Antilianen, maar ook aan mensen die zich vreemd of anders gedragen, die in zichzelf praten of zomaar op straat schreeuwen. Zij spelen nu de rol die eens was weggelegd voor de vrouwen onder de Contagious Diseases Acts en zullen net als Eliza onder hoongelach in hun vreemd accent proberen duidelijk te maken: `Im respectable too!' Preventief fouilleren zal de veiligheid niet vergroten. Het vergroot slechts, zoals de Victoriaanse Contagious Diseases Acts dat deden, de angsten, het wantrouwen en het ombehagen.

    • Amanda Kluveld