Het baardje van Jacques Perk

Morgen is het precies 103 jaar geleden dat de dichter Jacques Perk werd herbegraven.

De dichter Jacques Perk stierf op maandag 1 november 1881, vijf uur 's middags, in de ouderlijke woning aan de Reguliersgracht in Amsterdam. Hij was 22 jaar oud. Vrijdag 5 november werd hij begraven op de Oosterbegraafplaats in Amsterdam het tegenwoordige Oosterpark.

Hij liet een flinke hoeveelheid handschriften na, waaronder een (steeds maar weer bewerkte) cyclus van zo'n honderd sonnetten, waarvoor hij de inspiratie had opgedaan tijdens een reis met zijn familie naar de Ardennen in de zomer van 1879. Daar ontmoette hij Mathilde Thomas, wier naam en geïdealiseerde beeld het hoofdmotief vormde van de sonnettencyclus, en de Engelse dichter Oscar Wilde, wiens extravagante en dandy-achtige kleding en gedrag grote indruk op hem maakten.

De 20-jarige Perk had zich vóór de reis naar België al voorzien van een vlossig baardje en eenmaal terug in Amsterdam en met een groeiende zekerheid over het in hem ontwakende dichterschap wilde hij zich bewust van anderen onderscheiden. In een lichtgrijs kostuum, met grijze hoed, grijze schoenen en handschoenen en als contrast een vuurrode das en een bloem in het knoopsgat toonde hij zich aan de Amsterdammers.

Hij voelde zich een outsider, ook omdat het er naar uitzag dat hij een maatschappelijke mislukkeling zou worden. Hij had de middelbare school niet afgemaakt, had zonder succes op de redactie van het Handelsblad aan de journalistiek geroken, probeerde een paar keer vergeefs toegang te krijgen tot de universiteit en liep een blauwtje bij Joanna Blancke (de zuster van zijn zwager Jan Blancke) op wie hij hopeloos verliefd werd en voor wie hij wel een paar gedichten in petto had. Hij hoefde alleen maar de naam Mathilde te veranderen in Joanna.

Maar zelfverzekerd was hij wel. Toen hij in 1880 een paar gedichten aan een tijdschrift had gestuurd en een vaderlijk-neerbuigende afwijzing met een hint naar zijn jeugdige leeftijd kreeg, liet hij de redactie weten: ,,Ik heb den leeftijd bereikt, waarop Kuros de jongeren zijn duizenden Grieken door Perzië geleid heeft en met roem stierf (...), den leeftijd waarop men den weeken baard op den wind voelt wapperen en 't best in staat zich aan natuur en leven een roes te drinken.''

Dat baardje. In datzelfde jaar 1880 slaagde hij er eindelijk in toegang te krijgen tot de universiteit met de bedoeling rechten te studeren. Ook daar viel hij (en zijn baardje) op. Aegidius Timmerman, die later zijn sporen in de literatuur trok, herinnert zich Perk in de collegebanken: ,,Alles was even licht en bleek aan hem, zijn aardige en zeer vriendelijke oogen, zijn lange blonde lokken, zijn zijige dunne baardje, het blosje op zijn wangen, zijn lichtkleurig pak, en zijn lange magere handen, waarmede hij onder het college in zijn haar placht te woelen.''

Ruim achttien jaar na de begrafenis op de Oosterbegraafplaats kwam het baardje opnieuw, en nu op een dramatische wijze, in beeld. Dr. P.H. Ritter jr. (in de jaren dertig door zijn wekelijkse radiopraatjes voor de AVRO-microfoon populaire literaire autoriteit) heeft in het Perk-nummer van De Nieuwe Gids uit 1931 verslag gedaan van de herbegrafenis van Perk op dinsdag 19 februari 1900. Ritter was toen zeventien jaar oud. Door zijn vader (een predikant-schrijver, net als Jacques Perks vader) was hij in aanraking gekomen met de familie Perk, waar tot Ritters grote verbazing moeder Perk in hem zoiets als een reïncarnatie zag van haar enige en zo jong gestorven zoon.

In 1894 was de Nieuwe Oosterbegraafplaats in de Watergraafsmeer geopend en allengs werden de graven op de oude Oosterbegraafplaats geruimd of overgebracht naar de nieuwe begraafplaats. De familie Perk koos voor een herbegrafenis en moeder Perk had Ritter uitverkoren om als enige buitenstaander, samen met drie familieleden, deze gebeurtenis bij te wonen. Niet Kloos of Van der Goes die waren al te oud en vertegenwoordigden te zeer het verleden.

,,Het is het kind in mij geweest, dat mij het weemoedig voorrecht heeft geschonken, tegenwoordig te zijn bij de overbrenging van Perks stoffelijk overschot'', kon Ritter dertig jaar later als enige verklaring voor deze keuze bedenken. En over de plechtigheid zelf: ,,Ik herinner mij die nog zo duidelijk alsof zij zo-even ware geschied: hoe moeder Perk hem een bloemenkrans had meegegeven om die op het nieuwe graf te leggen, hoe hij en de drie familieleden, zwijgend in een oude vigilante naar de oude begraafplaats reden en hoe daar het begrafenispersoneel hen zwijgend naar het geopende graf leidde.

,,Ineens zag ik het schrikkelijk beeld, dat mij heel mijn leven is bijgebleven. De dodenschrijn gaf zijn geheimenis prijs. Een ijl geraamte, in povere weefsels gewonden, tot strengen van verkleurde draden vergaan, lag weerloos onder de open hemel. Alleen de blonde baard was vol en uitgegroeid en golfde nog onbesmet over het tenger skelet. `Die blonde baard!' riep de oude Perk opeens, en hij wendde zich af en steeg ijlings in het rijtuig terug. Een kreet van zo nameloze smart heb ik sedert nooit meer van enig sterveling gehoord.''

    • Jan Kuijk