Herkenning

Op een discussiebijeenkomst voor joodse Nederlanders kwam een ouder echtpaar mijn rij binnengeschuifeld. De vrouw ging naast me zitten, de man nam de volgende stoel. Hij was een drukke, extraverte man die meteen een praatje met me aanknoopte. Hij had het aantekenboekje al in mijn handen gezien en vroeg me wat ik precies kwam doen. ,,Voor welke krant zei u?''

Vervolgens wendde hij zich tot een vrouwelijk kennis in de rij vóór ons. Ze praatten even amicaal met elkaar tot hij tegen de vrouw zei: ,,Ken je mijn vrouw eigenlijk?'' Dat bleek niet het geval en er zou ook weinig verandering in die situatie komen, want mijn buurvrouw gaf slechts plichtmatig een handje en zakte toen weer terug op haar stoel.

Merkwaardig. Ik keek eens goed naar haar. Ze keek star en onaangedaan voor zich uit, alsof de hele wereld haar gestolen kon worden. Ik kreeg mijn vermoedens.

De bijeenkomst een paneldiscussie over Israël en Palestina begon. De man luisterde met grote overgave naar de sprekers, af en toe riep hij opgewonden tegen zijn vrouw: ,,Heb je dat gehoord?'' of ,,Begrijp jij er wat van?''

Zij mompelde dan wat en knikte met de werktuiglijkheid van iemand die weet wat van haar verwacht wordt. Zo handelde ze ook als er applaus kwam uit de zaal. Dan ging ze een beetje overeind zitten en sloeg haar magere handjes in een Pavlov-reflex tegen elkaar. Even later zakte ze weer terug in een sluimerachtige toestand, gevaarlijk dicht bij de knikkebolfase.

Halverwege moest ze naar de wc. Laat haar niet alleen gaan, had ik bijna tegen de man gezegd. Want ik begreep inmiddels beter dan hij wat er aan de hand was. Zijn vrouw was onmiskenbaar aan het dementeren. Hij wist dat in zijn hart vermoedelijk ook wel, maar hij verdrong dit besef met alle kracht die hij nog over had.

Ik herkende deze situatie zó goed dat ik het bijna als een sensationele gewaarwording ervoer. Eindelijk zag ik van nabij bij anderen iets gebeuren wat ik bij mijn eigen ouders zo vaak had gezien.

Mijn vader liet mijn moeder de telefoon opnemen of de deur openmaken toen ze daartoe allang niet meer bij machte was. Dat was niet uit onverschilligheid of hardvochtigheid, maar uit een onbedwingbare behoefte om te doen alsof alles nog bij het oude was. We hebben onze pijntjes, maar we redden het nog wel. Het was een combinatie van zelfbedrog en misleiding van de buitenwereld.

Toen mijn moeder niet meer in staat was om te koken, gingen ze veel in de nabijgelegen stationsrestauratie eten. Hij deed alsof het om een leuk, onverplicht uitje ging, hoewel het inmiddels bittere noodzaak was geworden als ze nog iets warms wilden eten.

Het geestelijke verval was bij mijn moeder al een jaar of vijftien daarvoor begonnen, aanvankelijk bijna onmerkbaar, maar zich geleidelijk steeds duidelijker manifesterend in een afnemend gebrek aan interesse voor de buitenwereld. Ze speelde niet meer met haar kleinkinderen, belde nooit meer uit zichzelf op.

De vrouw van het joodse echtpaar kwam terug van de wc. Ik haalde opgelucht adem. Nog een jaartje, dacht ik, dan wordt ze als een verwarde vrouw ergens op straat aangetroffen.