Onheilspellend applaus in Veiligheidsraad

De Verenigde Staten overdrijven niet als ze voor de irrelevantie van de Veiligheidsraad waarschuwen. Het applaus dat vrijdag in de raad weerklonk, kan een duw in de verkeerde richting geven, meent Peter van Walsum.

Toen in december 1999 de huidige wapeninspectiecommissie voor Irak (UNMOVIC) door de Veiligheidsraad in het leven werd geroepen, waren er drie permanente leden – Frankrijk, Rusland en China – die zich van stemming over de bewuste resolutie (1284) onthielden. Deze had daardoor weinig gezag en werd dan ook onmiddellijk door Irak van de hand gewezen. De veel hardere en bijna ultimatief gestelde resolutie 1441 werd in november 2002 unaniem aanvaard, en nog dezelfde maand kon UNMOVIC in Irak aan de slag.

Het verschil is militaire druk. Bijna niemand ontkent dat, maar voor veel mensen lijken er twee soorten militaire druk te bestaan: militaire druk als voorspel van een militaire actie en militaire druk die alleen als politiek drukmiddel is bedoeld. De eerste soort wijzen zij van de hand, maar ze erkennen dat de tweede van nut kan zijn. Het probleem is alleen dat de beide soorten niet van elkaar te onderscheiden zijn. Mocht militaire druk alleen als drukmiddel bedoeld zijn, dan heeft de geringste hint in die richting al tot gevolg dat hij ook als zodanig niet meer functioneert.

Behalve aan druk op Irak heeft resolutie 1441 haar bestaan ook aan druk op Frankrijk, Rusland en China te danken. Voorafgaand aan de behandeling van die resolutie was president Bush door beide huizen van het Amerikaanse Congres gemachtigd Irak met of zonder mandaat van de Veiligheidsraad aan te vallen. Ook deze druk heeft goed gewerkt. Ik kan mij niet herinneren of Frankrijk, Rusland en China veel gesputterd hebben over het intimiderende karakter van de Amerikaanse aanpak, maar in ieder geval hebben zij niet uit protest geweigerd over resolutie 1441 te onderhandelen. Dat is begrijpelijk, omdat een Amerikaanse actie zonder mandaat van de Veiligheidsraad het gezag van de raad en van henzelf als permanent lid daarvan zou hebben aangetast, maar zij moeten wel hebben beseft dat zij zich daarmee op een hellend vlak begaven.

Gezien het succes van deze aanpak in het najaar valt in de komende dagen een Amerikaans gedrag te verwachten dat wederom op twee manieren kan worden uitgelegd: òf de Verenigde Staten maken zich op om zonder mandaat van de Veiligheidsraad ten strijde te trekken, òf zij zijn bezig Frankrijk, Rusland en China nogmaals onder druk te zetten.

Het is te hopen dat het laatste de juiste uitleg is en president Bush nog niet besloten heeft met zijn mandaat van het Congres genoegen te nemen. Hij zal zich zeker bewust zijn van de meerwaarde van een mandaat van de Veiligheidsraad. Voor Washington is het belangrijkste effect dat met zo'n mandaat de kans toeneemt dat Tony Blair aan boord kan blijven, waardoor afbrokkeling van de binnenlandse steun in de VS kan worden tegengegaan. Maar de optie van een Amerikaanse Alleingang moet wel wijd open blijven, omdat alleen dan Frankrijk, Rusland en China tot een compromis kunnen worden bewogen.

Het gevaar bestaat dat Frankrijk, Rusland en China, die zich in november 2002 door de dreiging van een Amerikaans solo-optreden hebben laten intimideren, uit de Veiligheidsraadzitting van vrijdag zoveel moed hebben geput dat zij nu vastbesloten zijn zich dit niet nog een keer te laten gebeuren. Dat zou hen ertoe kunnen brengen hun hand te overspelen en zo een unilateraal Amerikaans optreden onvermijdelijk te maken. Zo'n uitkomst is nog steeds niet in hun belang, niet alleen wegens het gezag van de Veiligheidsraad dat op het spel staat, maar ook om een scala van redenen die het wenselijk maken dat Amerika van een unilateraal optreden wordt weerhouden en vooral niet alleen voor de taak van wederopbouw en nation building komt te staan. De VS hebben Europa niet nodig om Irak te verslaan, maar bij alles wat daarna moet gebeuren – niet alleen in materiële zin – kunnen de Europese inbreng en de betrokkenheid van de Verenigde Naties niet worden gemist. Europa moet in de buurt zijn als het eenmaal duidelijk wordt dat ook een gedemocratiseerd Irak nog steeds fel anti-Israël zal zijn en deze ontdekking het Amerikaanse Congres de lust ontneemt nog grote bedragen in de Iraakse wederopbouw te steken.

Als ex-voorzitter van het Irak-sanctiecomité heb ik mij erover verbaasd dat het rapport van Blix van vrijdag in Parijs en Bagdad met zoveel enthousiasme is ontvangen. Dat kan dan toch echt niet van toepassing zijn op Blix' constatering dat ,,ook nu nog de periode van ontwapening door inspectie kort zou kunnen zijn als onmiddellijke, actieve en onvoorwaardelijke samenwerking met UNMOVIC en IAEA kon worden tegemoetgezien''. Wat Blix daar zegt is dat het hele proces ook in 1991 binnen enkele maanden klaar had kunnen zijn als Saddam Hussein toen open kaart had gespeeld en zich niet op systematische verzwijging, verhulling en misleiding had toegelegd.

Voor Bagdad luidt dus de boodschap dat Saddam zijn bevolking twaalf jaren van wurgende sancties had kunnen besparen, terwijl aan Parijs de vraag wordt voorgelegd of Frankrijk terecht al die jaren het sanctieregime – en dus indirect de VS en het Verenigd Koninkrijk – voor alle ontberingen van het Iraakse volk verantwoordelijk heeft gesteld. Het was op zijn minst opmerkelijk de minister van Buitenlandse Zaken van een land dat de oprichting van UNMOVIC in 1999 niet eens had gesteund, vrijdag te horen verklaren dat voor de ontwapening van Irak op de effectiviteit van de inspecties mocht worden vertrouwd.

Vóór vrijdag had ik nog nooit in de Veiligheidsraad horen applaudisseren. Ik vond die reactie op de Franse rede een onheilspellend geluid. Het was als de aankondiging van het einde van een tijdperk. Rond de eeuwwisseling heb ik in New York actief aan de discussie over de hervorming van de Veiligheidsraad deelgenomen, maar al gauw was bijna iedereen het erover eens dat het dossier muurvast zat en dat alleen een grote schok, zoals een oorlog, het in beweging zou kunnen brengen. Misschien is zo'n schok nu wel in de maak. Amerika overdrijft niet als het voor de irrelevantie van de Veiligheidsraad waarschuwt.

Het is te hopen dat de permanente leden er toch nog uitkomen. Anders zou het applaus van vrijdag wel eens kunnen gaan klinken als het applaus waarmee in 1938 Chamberlain en Daladier bij hun terugkeer uit München werden begroet.

Mr. A.P.van Walsum vertegenwoordigde in 1999 en 2000 Nederland in de VN-Veiligheidsraad en was in die tijd tevens voorzitter van het Irak-sanctiecomité.