Chroniqueur van gruwelen

In Novi Sad, hoofdstad van de multi-etnische Servische provincie Vojvodina, is gisteren op 79-jarige leeftijd Aleksandar Tišma overleden. Samen met György Konrád, Milan Kundera, Imre Kertész en de enkele jaren geleden gestorven Bohumil Hrabal en Danilo Kiš behoort hij tot de grote hedendaagse schrijvers van Midden-Europa .

Tišma werd in 1924 geboren in een dorp in Vojvodina, dichtbij de Hongaarse grens. Zijn vader was Serviër, zijn moeder een Hongaarse jodin. Die afkomst heeft zijn leven bepaald. Na zijn eindexamen in 1942, toen de joden in het door de nazi's bezette Joegoslavië massaal werden vermoord en Vojvodina door Hongarije was geannexeerd, ging hij naar Boedapest. Hier ontdekte hij dat hij schrijver wilde worden. In 1990 zei hij daarover in deze krant: ,,Ik merkte hoe je naar mensen kon kijken die je niet kende. Je kon dan je fantasie aan het werk zetten. Je kon een voorstelling maken van wat ze deden en dachten.''

Nadat de nazi's in 1944 Hongarije binnentrokken en met de uitroeiing van de Hongaarse joden begonnen, werd Tišma te werk gesteld als dwangarbeider. Aan het eind van de oorlog wist hij te ontkomen en sloot hij zich aan bij Tito's partizanenleger. Na 1945 studeerde hij Duits, Frans en Engels in Belgrado. Tussen 1949 en 1969 werkte hij bij een uitgeverij en vervolgens was hij tot 1974 journalist, of beter gezegd vertaler van berichten uit de Russische pers.

In 1956 verscheen Tišma's eerste gedichtenbundel, De Bewoonde Wereld. Vanaf 1961 volgden drie verhalenbundels en een aantal romans, waarvan De School der Goddeloosheid (1978), Het Gebruik van de Mens (1980), Argwaan en Vertrouwen (1983) en De Kapo (1987) de belangrijkste zijn.

Zijn vaste thema's zijn de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging. In een zakelijke stijl beschrijft hij de tragische lotgevallen van weinig heldhaftige figuren. De nadruk ligt daarbij niet alleen op de verschrikkingen zelf, maar ook op de ontreddering en de psychische verminking die er het gevolg van zijn. Hoe moet je verder na de gruwelen van een concentratiekamp, lijkt hij zich steeds opnieuw af te vragen. Een goed voorbeeld daarvan vind je in De Kapo, waarin een jood die in Auschwitz beul werd om het vege lijf te redden, op zoek gaat naar een van zijn slachtoffers. Gekweld door schuldgevoelens en het inzicht een `geboren kapo' te zijn, wil hij met zichzelf in het reine komen. Tišma laat haarscherp zien hoe een op het eerste gezicht onbenullig mens tot een misdadiger verwordt.

Tišma was een meester in het uitvergroten en analyseren van de onvolkomendheden en zwaktes van de mens. Niemand is bij hem goed of slecht, of het nu gaat om een SS'er, een jood of een partizaan. Van `het woord' als beschavende factor wilde Tišma niets weten. De wereld werd in zijn ogen geregeerd door domheid. In 2000 zei hij: ,,Woorden zijn voor mij niets meer dan een vorm van troost. Als ze mooi en verstandig zijn, kunnen ze troost bieden en genot verschaffen, net als eten, liefde, lucht of een wandeling in de natuur. Ik geloof niet dat woorden de mens kunnen veranderen.''

Afgezien van een tweejarig verblijf in Frankrijk tijdens de burgeroorlog (1991-1995), heeft Tišma vrijwel zijn hele leven in Novi Sad gewoond. Die stad – met zijn Servische, Hongaarse en voor 1941 ook Duitse en joodse bevolking – vertegenwoordigde voor hem een idyllische, multi-etnische wereld die weinig gemeen had met het Joegoslavië van na 1991, waarin iedere vorm van tolerantie leek te zijn verdwenen. Hij was dan ook een fel criticus van het Servische nationalisme van Miloševic. Morgen zal Tišma in datzelfde Novi Sad worden begraven, na eerst officieel te zijn herdacht door zijn Servische vakbroeders.