VERSCHILLEN IN CITOSCORES ZIJN VOOR 60% `ERFELIJK'

De verschillen in de prestaties van scholieren op de cito-toetsen, in groep 8 van de basisschool, zijn voor ongeveer 60% te herleiden op erfelijke verschillen. Dit blijkt uit een onderzoek van biologisch psychologen van de Vrije Universiteit onder ongeveer 700 tweelingparen uit het Nederlandse Tweeling Register (Twin Research december 2002). Volgens de auteurs, onder leiding van Meike Bartels van de VU, maakt deze relatief grote invloed van de aangeboren vermogens van de leerlingen de cito-toets minder geschikt als instrument om de kwaliteit van de school als geheel te beoordelen. De school kan in theorie dus maar op veertig procent van de cito-prestaties invloed hebben, maar in de praktijk natuurlijk veel minder, omdat de kinderen ook allerlei andere invloeden ondergaan.

Dit betoog sluit aan bij een promotie aan de Rijksuniversiteit Groningen eind vorig jaar, waarin oud-medewerker van de Amsterdamse schoolbegeleidingsdienst Mart Visser om andere redenen kritiek heeft op het gebruik van de cito-toets in de beoordeling van de school als geheel. Volgens Visser wordt dan de druk op scholen om de testuitslagen te manipuleren (door uitgebreide oefening of het uitsluiten van slechte leerlingen) te groot.

Het percentage van 60% erfelijke invloed op de verschillen in cito-prestatie is overigens niet verrassend omdat uit eerder tweelingonderzoek al bleek dat rond het twaalfde jaar de variatie in prestaties op IQ-testen ook voor ongeveer 60% te herleiden is tot erfelijke factoren. Deze erfelijke invloed op de variatie in IQ-uitslagen neemt met het klimmen der jaren toe. Rond het vijfde jaar wordt een erfelijkheid van 30 procent gemeten, tegen de dertig ligt dat percentage boven de 85.

Dat lijkt absurd, zo'n variatie in wat binnen één individu is overgeërfd, maar in tweelingonderzoek wordt geen `absolute erfelijke bepaaldheid' gemeten (als zoiets al zou bestaan), maar altijd de erfelijkheid van eigenschappen naar mate die binnen een omgeving tot uiting kunnen komen. Het is een bekend fenomeen dat de erfelijkheid van IQ toeneemt als in een bepaald land het schoolsysteem beter georganiseerd wordt. Als de Nederlandse basisscholen allemaal even goed zouden zijn en er ook geen cognitief relevante verschillen zouden bestaan in de thuismilieus van de leerlingen zou de erfelijke bepaaldheid tegen de 100 procent lopen. De hoge erfelijkheid van IQ in Nederland wijst dus op een goed functionerend onderwijssysteem.

Het aantal tweelingen in het onderzoek van Bartels cs. is nog te klein om preciese conclusies te trekken over de invloed van de scholen of de onderwijzers bij de cito-prestaties. Wel bleek dat de verschillen in de cito-scores binnen een tweelingpaar dat in dezelfde klas zit (63% van het totaal) minder groot zijn dan wanneer ze in verschillende klassen zitten – een mogelijke aanwijzing voor wisselende kwaliteit van de betrokken onderwijzers. Een andere verklaring kan zijn dat vooral tweelingen die toch al verschillen in schoolprestaties, terechtkomen in verschillende klassen.

In theorie kan er ook binnen de 60 procent erfelijke bepaaldheid van de cito-toets ook een invloed van de schoolkeuze verborgen liggen, geeft Bartels toe, in een telefonische toelichting. ``Leerlingen met een gunstige genetische predispositie pikken op een goede school natuurlijk meer op dan op een slechte school. Maar dit soort interactie is heel moeilijk te meten. Daarnaast worden leerlingen ook niet `at random' op een goede of slechtere school geplaatst.''