Treinlatijn

In de trein vertellen de mensen elkaar over hun avonturen in de trein. Als u visser bent, spreekt u misschien visserslatijn; als jager begrijpt u het jagerslatijn. Baron von Münchhausen sprak uitsluitend jagerslatijn. Denk aan hoe hij een beer laat ontploffen, een koppel eenden in een vliegtuig verandert, een hert een kersenboompje tussen zijn gewei bezorgt. Zo ontstaat nu in Nederland het treinlatijn. In een van de laatste rookcoupés, altijd vol, zitten ze met hun zessen. A moest 's avonds om zes uur in Leeuwarden zijn, bleek omgeleid te worden, via Oberhausen, Leer en Sappemeer, en kwam in de vroege ochtend van de volgende dag op zijn plaats van bestemming. B heeft een beetje minzaam zitten luisteren. Opeens springt hij erin. Ik moest naar Tilburg, en ik geef je te raden waar ik terechtkwam. Berlijn!, roept C. Hoe weet u dat? Toevallig zat ik in dezelfde trein. De rest kan iedere gebruiker van het openbaar vervoer zelf verzinnen. Allemaal treinlatijn.

Dit is waar gebeurd. Uw verslaggever moest afgelopen maandag in Brussel zijn. Hij verheugde zich. Deze internationale trein heeft in zijn eerste klasse een goede indeling. Als je tot de snelle instappers hoort, kun je een enkele plaats aan het raam bezetten. Dat rode pluche ziet er voornaam en tegelijkertijd gezellig uit. Je rijdt hard, stopt weinig en de wielen maken een lekker geluid op de rails. Bovendien was het prachtig winterweer. Niets leek de tevredenheid, het geluk van meer dan twee uur naar buiten kijken in de weg te staan.

Om precies 08.23 uur zette de trein zich in beweging, reed onder de overkapping van het CS uit. Het werd wel lichter in de coupé, maar naar buiten kijken ging niet, omdat de ramen dit jaar nog niet waren gezeemd. Op zo'n ogenblik zie je dit hele kasteel van je voorpret instorten. Wat te doen? Verhuizen? Nee, want geen van de ramen in dat rijtuig was gezeemd. En als je je eenmaal hebt geïnstalleerd, jas goed gehangen, kranten en koffie op je tafeltje, begint een verhuizing op een emigratie, deportatie te lijken. Terwijl je op een paar uur van absolute vrede had gerekend, ontdek je dat je terecht bent gekomen in een situatie die zelfverdediging eist. Hoe kreeg ik dat raam schoon? Zelf zemen.

Daar kwam de conducteur al. Ik deed hem mijn voorstel. We stoppen op station Schiphol. Zeker, zei hij. Dan, zei ik, stap ik uit, met een grote prop papier die ik in het fonteintje van de wc nat heb gemaakt. Ik zeem mijn raam, en ik vraag u, pas het signaal van vertrek te geven als ik klaar ben. Vanzelfsprekend, zei de conducteur, als het maar niet te lang duurt. En trek uw jas aan, neem uw kostbaarheden mee, want anders zijn die misschien verdwenen.

Ik trof alle voorbereidingen, de trein kwam tot stilstand, ik sprong op het perron en zeemde, ja, zoals ik nog nooit gezeemd had. Toen wilde er iemand op mijn plaats gaan zitten. Die man, dacht ik, speelt met zijn leven, gaf hem dit door bonken op het raam te kennen. Ik verdedigde niets minder dan mijn reizigersgeluk. Hij begreep het. Ik zeemde nog even verder. Klaar. Ik keek naar de conducteur, stak mijn duim op. Hij blies op zijn fluit, en daar gingen we weer, op weg naar Brussel.

Dit is geen treinlatijn. Denk ook niet dat ik me over de spoorwegen beklaag. We moeten eraan wennen dat we in een nieuwe versie van de Derde Wereld leven (zoals de beroemde Duitse socioloog Ulrich Beck ook al heeft vastgesteld). Wie zich hierin wil handhaven, moet het ultramodernste van onze moderniteit met eigen hyperimprovisatie kunnen combineren. Dat wordt nog erger als de oorlog uitbreekt. Terwijl u, bij wijze van spreken, al drie dagen op een mainport kampeert, waar de hamburgers niet gegeten kunnen worden omdat het voedsel van de koeien waarvan het gehakt afkomstig is, met Frankensteinmiddelen is besmet, wordt een paar duizend kilometer verderop, met wapens van chirurgische precisie voor uw vrijheid gevochten. Samengevat.

Ik zat dus in de trein, aan de westzijde. Blijkbaar had ik de laatste tijd aan de andere kant gezeten, want telkens ontdekte ik iets nieuws. We denken wel dat hier alles stagneert, maar rusteloos bouwen we verder. Een vraag. Hoeveel Moerdijkbruggen heeft Nederland? Ik hield een kleine rondvraag op onze redactie. Twee, dachten de meesten. Mis. Het zijn er bijna drie. De derde, een spoorbrug, is bijna klaar, namelijk gevorderd tot het prachtige stadium waarin de twee delen van de overspanning elkaar zichtbaar naderen. Stelt u zich het ogenblik van triomf voor, als de eerste mens van de ene kant naar de andere springt, over die laatste meter, omdat hij zich niet langer kan bedwingen. Graag wil ik daar getuige van zijn, of zelf de sprong wagen.

Kortom, ook in deze tijd valt goed nieuws te melden. Beter zou het nog zijn als de televisiejournaals niet een stuk of twintig keer per avond een vanaf een vliegdekschip startende straaljager lieten zien. Die komen er nog bij honderden. De geschiedenis leert dat de laatste dagen voor de oorlog tot de mooiste horen. Terwijl degenen die altijd vastberaden uit de hoek komen, popelen van actiedrift, proeven degenen die beter weten nog even, met weemoed, van de laatste windstilte. Ze weten: vrede hoort over een paar weken tot het onachterhaalbare vroeger.